Waarom Tom Boonen een idioot is

Er kwamen nogal wat reacties op mijn berichtje van deze ochtend. ‘k Wilde eerst reageren in de comments, maar veranderde van gedacht en besloot aan het geval Boonen een nieuw berichtje te wijden.

Het is inderdaad zo dat het cocaïnegebruik van de Bom van Balen niet echt als een bom insloeg. Zijn naam werd al genoemd door Tom Vannoppen in verband met het dealen van cocaïne. De geruchten deden al een tijdje de ronde. Ik neem aan dat hierover niet uitgebreid in de media bericht werd uit respect voor het principe dat iedereen onschuldig is tot het tegendeel bewezen is. Al lijkt dit principe bij de ene mens iets meer gerespecteerd te worden dan bij de andere.

Wat ik bijzonder schandalig vind, is dat zo iemand onder invloed achter het stuur kruipt en dubbel zo hard rijdt als toegelaten. Dat hij zichzelf te pletter rijdt, ik zal er niet van wakker liggen. Dan denk ik hetzelfde als bij die idiote voetballer: zelf gezocht. Zo’n geval wordt echter een tragedie als onschuldige mensen mee de dood ingesleurd worden. En daar heb ik problemen mee. Voor mijn part snuift Tom Boonen zoveel cocaïne als hij wil, maar dan moet hij daar wel de consequenties van dragen: het einde van zijn wielercarrière. Om te léven heb je heus geen harddrugs nodig. Integendeel zelfs, meestal brengt druggebruik veel verdriet mee voor de naasten van de gebruiker.

En nu ik toch bezig ben, nog enkele woordjes over de zogenaamde voorbeeldfunctie van sporters. Laat me niet lachen. Voetballers, wielrenners en tennissers zijn gewoon overbetaald. Want laten we eerlijk zijn, wat presteren zij nu echt? Het stoort mij verschrikkelijk dat mensen in de zorgsector zo weinig betaald worden, terwijl zij toch één van de meest ondankbare jobs in onze samenleving uitoefenen. Mensen die werken met dementerende bejaarden of op palliatieve zorgen, dáár heb ik respect voor. Die mensen hebben een voorbeeldfunctie. Niet één over ander over het paard getild ventje dat toevallig goed kan fietsen.

Voilà, dat moest er even uit.

Een ongemakkelijke ontmoeting

Ik was net vertrokken naar de squash, toen er een onfortuinlijk windje opstak. Zo’n windje dat woestijnzand uit de verre Sahara (of van de bouwwerf vlakbij, wie zal het zeggen) met zich mee droeg. Het zand knarste tussen mijn tanden en, erger, nestelde zich onder mijn oogleden. De combinatie harde lenzen – fijn zand, altijd goed voor een spontane, onstuitbare tranenvloed. Om mijn ogen zoveel mogelijk af te schermen van de wind die recht in mijn gezicht blies, hield ik een hand voor mijn ogen, de blik strak gericht op de grond en onderwijl proberend zo dicht mogelijk tegen de huizen aan te lopen.

Tot ik plots recht op een onverwachte fiets die mij de weg versperde, knalde. In een reflex stak ik mijn hand uit en kon nog net voorkomen dat de fiets de grond op donderde. Ik voelde meteen dat deze botsing sporen zou nalaten en vloekte binnensmonds. En net op dat moment, komt er uit de zandwind een knappe jongedame (allez, ik denk dat ze knap was te oordelen aan haar hippe schoenen en het slanke silhouet dat ik kon waarnemen vanuit mijn ene halfdichtgeknepen oog) op mij af. De woorden: “Geen zorgen, het gaat wel,” lagen al op mijn lippen toen bleek dat zij blijkbaar niets gemerkt had van mijn onfortuinlijke botsing en gewoon de weg zocht naar de Molens van Orshoven.

Terwijl het traanvocht uit mijn ogen liep, wees ik welke richting ze moest uitlopen. En gezellig, moest ik toch wel niet dezelfde richting uit, zeker? Ze was heel vriendelijk en begon meteen een gesprek met mij. Ze was helemaal uit Gent gekomen voor een dansvoorstelling en Leuven, neen daar kwam ze niet zo vaak. En kijk, ze wist niet dat hier zo’n industriezone was. Ik verzeker u, een aangenaam gesprek voeren terwijl je ogen er ongetwijfeld uitzien alsof je twee dagen gehuild hebt en je been en knie zeer doen van de botsing ettelijke minuten geleden, ‘t is niet evident. Maar ik ben er toch in geslaagd haar wat Leuvense geschiedenis mee te geven. Aan de rode lichten namen we afscheid van elkaar. Ik denk niet dat ik haar zou herkennen, mocht het lot ons ooit weer samen brengen.

En nu zit ik hier, met de afdruk van een spatbord in mijn rechterscheenbeen en een extra knievormig object naast mijn linkerknie. Blote benen, het zal nog niet voor volgende week zijn.

Lachen met het vriendje

Doordat ik tweeënhalve dag niet op het werk geweest ben, lagen er deze namiddag bergen onbeantwoorde emails op mij te wachten. Email, de vloek van de moderne informatiemaatschappij. Blijkbaar hadden ze tijdens mijn afwezigheid een vergadering ingepland om twee uur waarop ik een presentatie moest geven en dat was toch geen probleem, hopelijk? Enfin, ik ben (soms) geweldig flexibel, dus ik heb wat slides gebruikt die ik nog had staan en gaan met die banaan.

Om de emailachterstand wat weg te werken, besloot ik deze avond wat langer te blijven. Mijn vriendje had andere verplichtingen, die zat toch niet op mij te wachten. Of dat dacht ik althans, want toen ik een uur later dan gewoonlijk in de trein zat, belde hij me op:
“Waar zit je ergens?”
Ikke: “Euh, in de trein?”
Hij: “Waar ergens juist? ”
Ikke: “Euh, net Brussel Noord gepasseerd?  Waarom? ” (ik voelde een zekere dringendheid in zijn woorden)
Hij: “Welleuh, ik sta op het dak van de garages en ik geraak niet meer binnen.”

Nu moeten jullie weten dat je via een vluchthuisje vanuit de garage op het platte dak kan geraken. Er heeft nooit een slot op dat huisje gestaan, maar blijkbaar heeft de bouwheer daar nu wel een slot op gezet, waardoor de deur achter hem was dichtgevallen en hij niet meer terug in de garages kon. Hij was aan het testen hoe ver het wireless netwerk ging. :-)) En toen moest ik toch wel moeite doen om mijn lach in te houden. Ik zei dat ik nog een twintigtal minuten onderweg zou zijn voordat ik hem uit zijn benarde positie kon redden.

Uiteindelijk heeft hij iemand van de buren te pakken gekregen en die is hem komen bevrijden. De zielepoot. :-) Het lachen verging mij echter al snel toen mijn Treo me eraan herinnerde dat ik om zeven uur had afgesproken om te gaan squashen, vooral omdat mijn trein pas om zeven uur in Leuven zou aankomen. Spurtje getrokken van het station naar ons appartement, in zeven haasten mijn sportkleren bijeen gezocht, squashracket gepakt en op een drafje naar de squashzaal. Dik kwartier te laat, natuurlijk. Ik was al moe voordat ik nog maar één balletje geslagen had. 😉

Dat zal mij leren met mijn vriendje te lachen.

Moe

Zo moe dat ik vanavond meer langs dan op het squashballetje gemept heb. Het was net alsof al mijn bewegingen vertraagd werden. Ik holde constant achter de feiten aan. ‘k Heb dan maar bij thuiskomst een lang, warm bad genomen, samen met mijn vriendje. En nu is het bedtijd. Een mens moet toch één keer per week voor middernacht onder de wol liggen.