Wuif eens een collega uit

Maandag vertrekt één van de collega’s waarmee ik het beste opschiet, voor een half jaar met vrouw en kind naar het buitenland. Zijn zeer geleerde vrouw heeft namelijk een beurs voor een postdoc in Frankrijk gekregen. En hij gaat met haar mee.

Vrijdag na het werk organiseerde hij een kleine afscheidsdrink. Binnen acht weken is hij alweer terug in het land, dus het afscheid valt nogal mee. 😉 Niet dat je mij hoort klagen over zijn voortreffelijke initiatief. ‘s Ochtends een examen, daarna enkele uurtjes gaan werken en vervolgens onder het genot van een drankje en een goed gesprek dat examen doorspoelen. Dat kan deugd doen. Zo deugd dat ik natuurlijk weer ben blijven plakken en daardoor de planning voor ‘s avonds wat in de war raakte en we veel te laat bij mijn ouders in het verre Limburg waren. Shame on me.

Ben trouwens benieuwd of dat telewerken zal meevallen. We schaffen ons alvast een headsetje aan om collega C skypegewijs op de vingers te tikken. 😉

Duiding

Misschien toch een beetje uitleg bij het gedicht hieronder. Dit gedicht wordt geciteerd in twee boeken van Tonke Dragt: “Torenhoog en mijlenbreed” en “Ogen van tijgers”. In die tijd droomde ik al eens graag weg bij ruimtereizen, buitenaardse wezens en onderwerpen als telepathie. Vooral “Ogen van tijgers” heeft toendertijd enorm veel indruk op mij gemaakt.

Groot was dan ook mijn vreugde toen jaren later bleek dat mijn goeie vriendin M – ik leerde haar kennen op mijn eerste jaar aan de unief – ook een fan was van dit boek en dit gedicht.

Nog later heb ik de Nederlandse vertaling van het gedicht van Walter De La Mare gebruikt in mijn openingswoord voor haar huwelijk met C.

En blijkbaar zijn er nog mensen die mooie jeugdherinneringen aan dit boek hebben. Jammer dat haar laatste berichtje dateert van september vorig jaar.

Gedichtendag

Under the Rose (geschreven door Walter De La Mare, in het Nederlands vertaald door Tonke Dragt)

Niemand, niemand heeft mij verteld
Wat niemand, niemand weet,
Maar ik weet nu waar het eind van de Regenboog is,
IK weet waar er groeit
Een boom die Boom des Levens heet,
IK weet waar er vloeit
De Rivier van de Vergetelheid
En waar de Lotus bloeit
en ik – ik heb het Woud betreden, waar
In vlammen, roze en goud,
Verbrandend – en herrijzend steeds
De Feniks zich ophoudt.

Niemand, niemand heeft mij verteld
Wat niemand, niemand weet.
Verberg je gezicht in een waas van Licht,
Die met zilver schoeisel treedt –
Jij bent de Vreemdeling die ik het best ken,
Van wie ik het meest hou.
Je kwam van het Land tussen Waken en Droom,
Koud van de Morgen-dauw.

Slecht geslapen vannacht

En ‘t schriftelijk examen van Italiaans ging ook al niet zo vlot als ik gehoopt had. Ik zou het kunnen steken op de twee lessen die ik gemist heb in de loop van het jaar, maar de vocabulaire zat er gewoon niet zo goed in als andere jaren. ‘k Had wat meer Italiaans moeten blokken op de trein in plaats van in slaap te vallen. Ach ja, ‘t zal zeker meer dan goed genoeg zijn, maar, mits wat meer tijd om die Italiaanse woordjes te studeren, had er meer in gezeten.

Op naar het volgende examen morgen. Dat zal nog een ander paar mouwen zijn, vooral na deze slechte nacht en wetende dat ik de dag voor het examen nog ongeveer 70 procent van de leerstof erdoor ram.

Hup, hup, genoeg getreuzeld, aan het werk.