Genève – Mur des Réformateurs en Patek Philippe Museum – 3 november 2012

Onze derde zonnige ochtend in Genève begonnen we met een wandeling naar het Patek Philippe Museum, ons aangeraden door onze vrienden. Onderweg liepen we langs de Mur des Réformateurs in het Parc des Bastions. Dit indrukwekkende monument is gewijd aan de helden van de reformatie, met grote beelden van Johannes Calvijn, Guillaume Farel, Théodore de Bèze en John Knox. Door mijn katholieke opvoeding is ongeveer het enige wat ik van de reformatie weet dat Martin Luther zijn stellingen tegen aflaten aan een kerkdeur nagelde. En oja, vervolging, contrareformatie, beeldenstorm, vlucht van de intelligentsia uit de Zuidelijke Nederlanden naar de Noordelijke, zoiets. Genève was op een bepaald moment in de geschiedenis zowat het Rome van de protestanten en je kan er nu nog het Internationale Museum van de Reformatie bezoeken (wat wij niet deden).

Ik weet niet of ik het Patek Philippe Museum bezocht zou hebben als onze vrienden ons niet verzekerd hadden dat het de moeite was. Een museum enkel gewijd aan horloges klinkt een beetje saai. But boy, was I wrong. Wat een absoluut fantastisch museum! De pracht en praal van de horloges in de collectie van het Patek Philippe Museum was overdonderend. Grappig dat uiteindelijk geen van beide partners die de firma Patek Philippe in het leven riepen zelf Zwitsers waren. Antoni Patek was een Pool en Adrien Philippe een Fransman, maar dat doet geenszins afbreuk aan hun fabelachtige collectie.  Het ambacht der horlogemakers zorgde dat Zwitserse precisie een begrip werd en de Zwitserse horlogemerken zijn nog steeds gegeerd goed. Het straffe is dat er een simpele verklaring is voor het belang dat Zwitsers aan hun horloges hechten: protestanten mochten geen juwelen dragen, enkel een horloge was toegestaan. En zoals dat meestal gaat, werd er een creatieve manier bedacht om toch te pronken en groeiden de horloges uit tot juwelen met een wijzerplaat.

Het museum bevatte ook een ingenieuze collectie automatons. Kleine miniatuurkunstwerkjes met bewegende onderdelen. Zo was er een tafereeltje waarbij Mozes met zijn staf tegen de rots sloeg en er water uit vloeide. Of een koorddanser balancerend op een touw. Of een pistool waarbij, wanneer je de trekker overhaalde, een vogeltje uit de loop te voorschijn kwam waarvan bekje, kopje en vleugeltjes bewogen op de tonen van een melodietje. Of een bewegend oud vrouwtje met twee wandelstokken, of een slang of een muis of een … Via 3D-animaties werd aangetoond hoe de mechaniekjes werkten. Heel knap en indrukwekkend allemaal. Alleen jammer dat je geen foto’s mocht nemen (wat ik uiteraard stiekem toch deed met mijn iphone).

Enkele filmpjes om jullie een idee te geven, want het valt moeilijk in woorden te beschrijven:

Maar hét topstuk was toch wel de Patek Philippe Calibre 89, het meest gecompliceerde horloge ter wereld. Het kostte vijf jaar onderzoek en ontwikkeling en vier jaar handwerk om het horloge te fabriceren. Fenomenaal. Ik kan het niet anders beschrijven. De collectie was gewoon te groot en de details van de kunstwerkjes te verfijnd om volledig te kunnen absorberen. De herinnering aan al die pracht begint nu jammer genoeg al te vervagen.

Ik had er nog wel uren kunnen rondlopen, maar we moesten ‘s middags op tijd zijn voor onze afspraak met onze vrienden.

Genève – 2 november 2012

Alweer een mooie zonnige start van de dag. Vandaag stonden er twee dingen op het programma: een bezoek aan CERN, waarover ik al eerder schreef, en een bezoek aan onze vrienden die in een slaapstadje net over de Franse grens woonden. De kersverse mama kwam ons ophalen na ons bezoek aan CERN en nog geen tien minuten later waren we in hun appartementje in een Franse woonwijk die duidelijk CERN-medewerkers als doelgroep had. De meeste mensen die in CERN werken, hebben namelijk tijdelijke contracten en zoeken iets om te huren, want ze komen uit alle hoeken van de wereld. Slimme Franse projectontwikkelaars spelen in op het gebrek aan huurappartementen op de Geneefse markt door snel snel hele wijken neer te zetten waar snel geld mee te verdienen valt. Het straffe is, aan isolatie doen ze niet mee, daar in Frankrijk en alle appartementen worden met elektriciteit verwarmd. Aja, want die elektriciteit is afkomstig van Franse kerncentrales en kost toch bijna niks. En wij hier maar isoleren als gekken en energiezuinig leven, in ons Belgenlandje.

We maakten kennis met de schattige dochter van onze vrienden en praatten wat bij terwijl we wachtten tot de heer des huizes terugkwam van zijn werk. En raad eens wat er op het menu stond voor het avondmaal? Geen kaasfondue, maar wel raclette! Nog een nationaal Zwitsers gerecht! We kunnen er weer voor een tijdje tegen op gesmoltenkaasgebied!

Heel boeiende discussie gehad met de gastheer die niet geloofde in het principe van schaalvergroting en een vurig pleidooi afstak voor kleinere structuren: kleinere gemeenten (hij was geen voorstander van de fusies tussen gemeenten), kleine, lokale bedrijven en handelaars. Hij pleitte voor lokale productie en consumptie, een discours dat me deed denken aan dat van de hedendaagse transitiebewegingen. Zijn overtuiging was dat grote structuren onveranderlijk gedoemd zijn om te falen. Ergens kon ik hem wel volgen, want hoe groter je structuur hoe meer administratieve overhead en hiërarchie je creëert, wat onveranderlijk ten koste gaat van de efficiëntie. Toch geloof ik in de voordelen van schaalvergroting en het goede dat supranationale samenwerkingsverbanden zoals de Europese Unie kunnen realiseren. Iets waar mijn gastheer niets in zag.

Hij zong het lof van het Zwitserse systeem met kantons die veel meer bevoegdheden hebben dan het federale niveau en verklaarde zich een grote voorstander van het systeem van referenda in Zwitserland. De geldigheid van zo’n referendum is niet gekoppeld aan een minimale opkomst en eenieder kan een voorstel tot referendum indienen als je op voorhand genoeg medestanders verzameld hebt. En dan maar hopen dat de meerderheid van de mensen die komen stemmen jouw voorstel genegen zijn. Ik stelde de vraag hoe dat dan zat met de representativiteit. Wat als er maar tien procent komt opdagen voor zo’n referendum, dan wordt er uitgevoerd wat de meerderheid van die tien procent beslist. Hij zei dat dit geen probleem vormde, want als het ging om iets wat de mensen werkelijk belangrijk vonden, zouden ze wel hun stem laten horen. Het feit dat ze dit niet deden, betekende dat het onderwerp in kwestie hen onverschillig liet. Zo had ik het nog niet bekeken.

Het was alleszins een verrijkende avond die stof tot nadenken bood.

Genève – 1 november 2012

Ok, ik geef toe dat Genève niet echt mijn lijstje met nog te bezoeken steden op deze wereldbol stond. De hoofdreden voor ons bezoekje was dan ook de geboorte van de dochter van twee vrienden die ik in de Russische les leerde kennen en die collega-ingenieurs van een ander jaartal bleken te zijn. Ik kende Genève enkele van de deeltjesversneller en van het Palais des Nations, het hoofdkwartier van de VN.

Maar kijk, het was een bijzonder aangename kennismaking met deze Zwitserse stad op een dik uurtje vliegen van Brussel. Voor mij was het pas de tweede keer in mijn leven dat ik voet zette op Zwitserse bodem, na een verblijf in mijn jonge jaren Maloja met de CM (yep, in het beroemde, onlangs verkochte Maloja Palace). We dropten onze bagage af in Hôtel bel’espérance en liepen van daar naar het Meer van Genève om meteen al één van de top tien attracties van ons lijstje te schrappen: le Jet d’Eau. We hadden geluk dat we vergezeld werden door een stralend herfstzonnetje waardoor we konden genieten van een prachtige dubbele regenboog. le Jet d’Eau spuit zo’n 500 liter water per seconde de lucht in aan een snelheid van 200 km per uur. 140 meter hoog is deze indrukwekkende waterstraal. Wij liepen door het watergordijn om dit man made wonder van alle kanten te bekijken.

Na deze verfrissende wandeling lunchten we in de Yo’Mo Lounge. Genève is beslist niet de goedkoopste stad om op restaurant te gaan, maar als je een dagmenu neemt, valt de prijs nog wel meer. We aten kip parmentier en als dessert een werkelijk verrukkelijke sabayon. Ik eet niet zo dikwijls sabayon, omdat ik weet dat het nogal een ongezond dessert is, maar verdorie, het smaakte.

Na het middagmaal had de zon zich verstopt achter de wolken en was het blauw vervangen door grijs, maar het zag er gelukkig niet naar uit dat het snel zou beginnen regenen. We besloten dus te voet naar onze volgende bestemming te gaan: le Palais des Nations. We staken het meer over via een brug en zetten onze weg voort langs de oevers. Uiteindelijk bleek dat de Googlemaps schatting wat aan de optimistische kant was, vooral toen bleek dat we nog een stuk verder moesten stappen om het visitors office te bereiken.

Na een nogal oppervlakkige check van het identiteitsbewijs van mijn vriend (mijn identiteitsbewijs hebben ze niet eens bekeken), kregen we een visitor pass en mochten we de heilige grond van de UN betreden. Maar eerst moesten we nog voorbij de kassa geraken die slechts door één tergend traag werkende jongedame werd bediend die duidelijk trots was op haar talenkennis, want ze probeerde elke bezoeker in zijn of haar moedertaal te begroeten. Bij ons deed ze een verdienstelijke poging in het Duits. Enfin, toen we eindelijk ons toegangsbewijs hadden, was onze groep al vertrokken. Gelukkig werden we door een andere jongedame snel naar de juiste groep geloodst.

We kregen een rondleiding van een gids met een piepstemmetje die vooral veel uitwijdde over de vele geschenken die de VN al ontvangen had. Al was niemand echt onder de indruk van het kokostapijt uit de Filippijnen. De nieuwe vleugel voltooid in de jaren ’70 vond ik ronduit lelijk, het neoclassicistische gedeelte uit de jaren dertig kon er naar mijn gevoel wel mee door. Al straalden de gangen een ronduit ongezellig en kil sfeertje uit, het was interessant om op de plek te staan waar de voormalige League of Nations jammerlijk gefaald heeft de tweede wereldoorlog te voorkomen. Het gebouw had wel een aantal indrukwekkende zalen, waarvan de Council Chamber met de indrukwekkende canvassen van José Maria Sert het meest tot de verbeelding sprak. Vooral omdat deze ruimte vaak gebruikt werd om vredesverdragen tot stand te brengen. Zo werden de onderhandelingen om de eerste golfoorlog te beëindigen hier gevoerd. Toen ik de ruimte binnen wandelde, wist ik meteen dat ik deze bombastische schilderstijl al eerder gezien had. En ja, het werk van José Maria Sert valt ook te aanschouwen (ik wilde eerst bewonderen schrijven, maar ik ben nog steeds geen fan van ‘s mans werk) in het Rockefeller Center. Al bij al vond ik de rondleiding wat tegen vallen. De gids was nogal kort in zijn uiteenzettingen en ik had het gevoel dat er veel meer te vertellen viel over deze toch wel historische plek.

Op de terugweg stopten we nog een bij de beroemde Broken Chair te fotograferen. De stoel symboliseert de strijd tegen landmijnen en clusterbommen. De stoel is maar liefst 12 meter hoog en verbeeldt op een treffende manier het leed dat door deze verschrikkelijke oorlogswapens wordt berokkend.

Op de terugweg naar het oude stadsgedeelte namen we toch maar de tram, want mijn voeten begonnen serieus zeer te doen van het lopen op hoge hakken. We hadden zin in een vieruurtje en stapten de eerste de beste patisserie binnen. En ik kan jullie verzekeren, die Zwitsers kunnen verdorie lekkere gebakjes maken. Zo mooi en verfijnd. Kleine kunstwerkjes om op te eten.

Na ons vieruurtje kuierden we door de smalle straten van de Oude Stad met de ene na de andere antiekzaak of kunstgalerij. Genève is duidelijk een stad voor rijke mensen. Dat zie je aan de prachtige etalages en de hoge prijzen. Genève is een geweldige stad voor wie van luxe houdt en genoeg geld heeft om het zich te permitteren. Wij hielden het bij window shopping. Ondertussen was de avond gevallen en belandden we op het plein met de kathedraal. Het laatste avondlicht zorgde samen met de grijzen wolkenlucht voor een bijzonder sfeertje. We waren nog net op tijd om snel een blik op het interieur van de kathedraal te werpen, maar we hadden niet genoeg tijd om alles grondig te bekijken, dus besloten we hier één van de volgende dagen terug te keren bij daglicht om de glasramen in hun volle glorie te kunnen aanschouwen.

We maakten een snelle tussenstop in het hotel om andere schoenen aan te doen en gingen op zoek naar een plek in de buurt om iets te eten. Keuze zat in de Oude Stad. We belandden in restaurant Le Syracuse, waar ze Zwitserse specialiteiten serveerden. We lieten ons gaan en kozen voor de kaasfondue met boleten. Zwaar, maar o zo lekker. Zo vaak komen we per slot van rekening niet in Zwitserland!

Daarna vonden we het welletjes en kropen we in bed om voldoende energie voor de volgende dag te hebben.

CERN – research, technology, collaboration, education

Vrijdag 2 november 2012 zal de geschiedenis ingaan als de dag waarop mijn vriend en ik voet zetten op het meest inspirerende wetenschappelijke complex ter wereld: CERN. We hadden enkele maanden op voorhand een rondleiding geboekt. Ik keek enorm uit naar dit bezoek aan CERN, de plek waar voor het eerst wetenschappelijk bewijs gevonden werd voor het bestaan van het Higgs bosondeeltje.

Wat een bezoek aan CERN onvergetelijk maakt, is de wetenschap dat honderd meter onder jouw voeten geschiedenis geschreven werd en wordt. Elke dag vinden er massa’s botsingen tussen elementaire deeltjes plaats. Slechts enkele van deze botsingen zijn interessant genoeg om door onderzoekers nader bekeken te worden. De data die geproduceerd wordt, is gigantisch en wordt eerst door computers gefilterd alvorens in de GRID gepompt te worden waar wetenschappers over de ganse wereld vrij toegang hebben tot de gegevens.

We werden op CERN rondgeleid door een wetenschapper die persoonlijk aan het ATLAS experiment had meegewerkt. ATLAS is een gigantische detector die op zoek gaat naar bijzondere deeltjes die vrijkomen bij de frontale botsing van protonen met een uitzonderlijk hoge energie. Om die hoge energetische toestand te bereiken, moeten de protonen versneld worden in de deeltjesversneller tot ze bijna de snelheid van het licht bereikt hebben. CERN heeft verschillende deeltjesversnellers die mekaar voeden. De grootste deeltjesversneller is de Large Hadron Collider waar het Higgs bosondeeltje ontdekt werd. De ATLAS detector moet bijzonder nauwkeurig meten, want die bijzondere deeltjes leven slechts een fractie van een microseconde. De wetenschapper die ons rondleidde vertelde enthousiast over het werk dat op CERN gedaan werd. En de vragen die in onze groep gesteld werden waren van erg hoog niveau, soms zelfs op het filosofische af.

Wat CERN nog meer inspirerend maakt, is de missie: vrede door wetenschappelijk onderzoek. De oprichters van CERN wilden meebouwen aan een betere wereld en hoe kan dit beter gerealiseerd worden dan door samen te werken om de materie waaruit onze wereld is opgebouwd beter te begrijpen? Door in de deeltjesversneller de omstandigheden vlak na de Big Bang te recreëren, krijgen de wetenschappers meer inzicht in de fundamenten waaruit alles wat wij kennen is opgebouwd. Hoe geweldig moet het zijn om daaraan te kunnen bijdragen?

De vondst van het Higgs boson deeltje is uiteraard een grote opsteker voor de wetenschappers op CERN, maar er blijven nog vele vragen onbeantwoord: wat is de mysterieuze dark matter? Waarom hieven materie en anti-materie elkaar niet op na de Big Bang, maar bleef er voldoende materie over om al de sterrenstelsels te creëren? Veel vragen waarop in CERN naar een antwoord gezocht wordt.

Wel grappig: de meeste informatieborden en multimediamateriaal, evenals onderstaand filmpje, waren nog niet aangepast aan de vondst van Higgs boson. Het zal nog wat tijd kosten om alles aangepast te krijgen.

Oja, volgend jaar wordt de Large Hadron Collider even stilgelegd voor onderhoud. Dan hoop ik nog eens terug te gaan om de deeltjesversneller met eigen ogen te aanschouwen, iets wat door de vrijgekomen straling niet mogelijk is wanneer de deeltjesversneller in werking is.

CERN

  • Research: Seeking and finding answers to questions about the Universe
  • Technology: Advancing the frontiers of technology
  • Collaborating: Bringing nations together through science
  • Education: Training the scientists of tomorrow

Tokyo – 8 september 2012

Onze laatste dag in Japan brachten we grotendeels door in de trein van Hakodate naar Tokyo. Veel valt er niet te vertellen over deze treinrit, buiten het feit dat we, net als vorig jaar, uitermate onder de indruk waren van de stiptheid en netheid van de Japanse treinen. Het systeem om op voorhand een zitje te reserveren, is geweldig praktisch. Met je Japan Railpass reserveer je een paar dagen op voorhand je plaats, je stapt op in de juiste wagon op het juiste spoor (als je het niet vindt, is er altijd wel personeel aanwezig om je de weg te wijzen), je zet je bagage op de daarvoor voorziene plek (geen stress dat er iets gestolen wordt, want in Japan steelt men niet) en je bent op je gemak voor de rest van de reis. Zalig.

Zo rond een uur of vijf in de namiddag waren we eindelijk in ons hotel in Tokyo beland. De afstand tussen Tokyo station en ons hotel hadden we toch een beetje onderschat en Tokyo was nog altijd even warm als twee weken geleden. We propten onze koffers in onze superkleine hotelkamer en trokken meteen de stad in. Van alle hotels tijdens onze trip was het Sumisho hotel echt wel het minste. Maar kom, het was maar voor één nachtje.

We namen de metro naar Shibuya, omdat we dachten dat we daar wel makkelijk iets zouden vinden om te eten. Ik was echter vergeten dat in Tokyo de meeste restaurants zich op één van de tien verdiepingen in een gigantisch appartementsgebouw bevinden. Enkel aan de verlichte uithangborden met fotootjes van eten kan je zien dat er zich één of meerdere restaurants in het gebouw bevinden. Het is op goed geluk dat je ergens een smalle lift instapt, want al die uithangborden zien er exact hetzelfde uit. Wij lieten ons door een enthousiast meisje kortingsbonnen aansmeren en stapten een kleine, benauwende lift in terwijl het meisje nauwlettend toekeek dat we wel op het juiste knopje duwden, want er waren concurrerende restaurants in het gebouw.

De izakaya waarin we terechtkwamen was donker en zonder natuurlijk licht, maar blijkbaar wel populair, want het zat er vol luidruchtige jongeren. Het was een izakaya met een touch screen, zoals we de eerste avond bezocht hadden met onze bruidegom. Nu stonden we er echter alleen uit en alhoewel we snel door hadden hoe we een gerecht konden terug vinden, was het helemaal niet duidelijk op welk van de tientallen knopjes je moest duwen om dat gerecht dan ook effectief te bestellen. Gelukkig was er een sympathieke ober die ons dit even kwam voordoen en al snel bestelden we gerechtjes als echte pro’s.

Omdat we dit zo lekker vonden, bestelden we opnieuw de inktvisballetjes, om de smaak mee naar België te kunnen nemen. Waar ik ook een grote fan van ben is de Vietnamese versie van sushi (summer rolls, weet google mij te melden) gemaakt van rijstpapier met zalm en sla. Lekker fris en voor het eerst gegeten in juli in Kopenhagen. Er passeerden ook nog edamame, yakitori van kip en van kaas met spek, sashimi, yaki-gyoza en gebakken paddenstoelen met heel veel look.

Niet het beste wat we tijdens onze reis gegeten hebben, maar wel een mooie doorsnee van de Japanse cuisine. We waren nog aan het twijfelen of we nog iets zouden bestellen om te drinken (umeshu met vers citroensap, man, dat is lekker), toen men ons vriendelijk kwam vertellen dat onze tijd aan ons tafeltje er bijna op zat. Oké dan. En zo stonden we vroeger dan verwacht terug op straat.

Uiteraard wilden we nog iets gaan drinken, maar we wisten niet goed waar. De enige bar die we vanaf de straatkant konden zien, zat stampvol en voor de rest vonden we alleen maar restaurants verstopt in torens. Een andere bar deed mij te hard denken aan die bar in Hiroshima, dus daar liepen we toch ook maar voorbij. Lastig, lastig. Uiteindelijk dachten we iets leuks gevonden te hebben in een toren. Wij de kleine, smalle lift binnen en uitgestapt op het juiste verdiep. Het zag er inderdaad heel erg gezellig uit, alleen was het volledig afgehuurd voor een privéfeestje. Heel vriendelijk bood men ons aan te blijven, maar dat zagen we toch niet echt zitten. Ik was gewoon te moe om een ganse avond te converseren in ons gebrekkig Japans. Ik wilde gewoon iets drinken.

Na nog een beetje doelloos rondgelopen te hebben op zoek naar een cocktailbar, liepen we dan maar een izakaya binnen. Het personeel was heel sympathiek, maar had blijkbaar toch niet zo goed begrepen dat we alleen maar iets wilden drinken. Maar toen we er eenmaal zaten, durfden ze ons natuurlijk niet weg te jagen. Dus bestelde mijn vriend een sake en ik nog een umeshu. De sake werd, zoals het hoort, geserveerd met het glas in een vierkant bakje. De ober schenkt dan het glas zo vol sake dat het overloopt en de overschot in het bakje terecht komt. Je drinkt eerst de sake uit het glas en dat kieper je de overschot van de sake uit het bakje in je glas. Grappig. :-)
We maakten het niet al te laat en trokken al snel naar onze kleine hotelkamer voor onze allerlaatste nacht in Tokyo. De volgende keer een beetje op voorhand research doen naar de beste bars, dat hebben we dan ook weer geleerd.

Het was alleszins een onvergetelijke reis. Met spijt in het hart namen we afscheid van het land van de rijzende zon. Wie weet wanneer we hier nog eens terugkeren?

Hakodate – 7 september 2012

We begonnen de dag met het traditionele Toyoko-Inn ontbijt: onigiri en misosoep! Per ongeluk pikte ik er een onigiri met ajuin uit en bij deze kan ik jullie meedelen dat ik voor het eerst een onigiri at die ik helemaal niet lekker vond.

In Hakodate rijdt nog een charmant trammetje dat rechtstreeks uit vroeger tijden afkomstig lijkt. Wij lieten ons door zo’n trammetje naar Goryokakupark brengen. Wat een prachtige plek! Het vijfhoekige Goryokakufort werd in 1865 gebouwd ter verdediging tegen de Russen. Voor de bouwplannen haalde de architect  Takeda Ayasaburō zijn inspiratie bij gelijkaardige forten van Vauban in Europa en dat is eraan te zien. Ik had niet verwacht zo’n Europees aandoende constructie te vinden in Japan, but then again, ik had ook niet verwacht een katholieke, evangelische en Russisch-orthodoxe kerk op een steenworp afstand van mekaar te vinden.

In de lente moet Goryokakupark een onvergetelijke ervaring zijn. Op en rond de omwallingen staan maar liefst 1500 kersenbomen. Als die allemaal gelijktijdig in bloei staan, moet dit een magische plek zijn om te wandelen. Nu was het anders ook de moeite. Ik was erg onder de indruk van de reconstructie van het bureau van de magistraat in het midden van het fort. Het bureau werd slechts gedeeltelijk vanaf nul heropgebouwd, maar men had de moeite gedaan om de details zo goed mogelijk te reconstrueren op basis van oude tekeningen en foto’s. Het duurde 20 jaar om de plannen voor de reconstructie uit te tekenen.

Een filmpje toonde het ganse proces vanaf het archeologisch onderzoek tot de zegening van het gebouw. Het vakmanschap dat  bij de bouw van dit geheel te pas gekomen is, was fenomenaal. Ik genoot van de strakke lijnen en de eenvoud van het Japanse interieur. Het bureau van de magistraat werd opgericht ten tijde van de openstelling van de verdragshaven. Hakodate werd vanaf dan het administratieve centrum van de Ezo regio.

Goryokaku speelt een belangrijke rol in de geschiedenis van Hokkaido. Hier werd immers de laatste slag uitgevochten van de Boshin Oorlog ten tijde van de Meiji Restoratie. Het Shogunaat moest in het zand bijten en de troepen van de Meiji regering haalden de bovenhand. Het bureau van de magistraat werd hierbij volledig vernietigd. Gelukkig is er nu de mogelijkheid om de reconstructie te bezoeken.

Na deze reis terug in de tijd, besloten we het fort van bovenaf te bewonderen. Goryokaku tower is 107 meter hoog en biedt een fantastisch zicht op het fort. Ik kan iedereen aanraden om te betalen voor een bezoekje aan Goryokaku tower, je zal het je niet beklagen. In de toren zelf krijg je meer uitleg over de geschiedenis van het fort en de burgeroorlog die op deze plek woedde. Al was de uitleg soms een beetje moeilijk volgen, omdat ik zelf niet genoeg achtergrond heb in de Japanse geschiedenis. Oja, het uitzicht vanuit de toren op de rest van Hakodate is ook beslist de moeite.

We aten een snelle lunch in het restaurant van de toren. We kozen iets dat op spaghetti bolognaise leek op de menukaart, gewoon om de Japanse versie van spaghetti met de westerse te kunnen vergelijken. De Japanse versie had een saus die meer op vleessaus leek, maar slecht was het zeker niet.

Na het middagmaal bracht het trammetje ons naar het dok waar we de dag voordien de twee speedboten hadden zien liggen. Na een geweldig misverstand met de dame die de tickets voor de Kanemori Bay Cruise verkocht, slaagden we er toch in een tochtje te regelen. Ik vroeg wanneer de volgende boot vertrok en zowel mijn vriend als ikzelf begrepen uit haar antwoord dat we nog twee uur moesten wachten. Daar hadden we niet zoveel zin in, want ondertussen waren we het wachten wat verleerd. We hadden tot nu toe nog bij geen enkele toeristische attractie moeten aanschuiven. Zalig.

We overlegden onderling en besloten toch maar eens opnieuw aan de dame te vragen of we het wel goed begrepen hadden en toen zei ze tot onze grote verbazing dat we direct konden vertrekken. Snel een kaartje gekocht en in de speedboot gestapt. Buiten ons waren er nog twee andere passagiers. De kapitein van de boot vertrok aan een rustig tempo uit de dokken, maar daarna gaf hij goed gas. Aan een rotvaart sjeesden we door de haven. Het hele tripje duurde maar een kwartier, maar was wel goed voor een adrenalineshot en een hoop bewegingsonscherpe foto’s.

Na dit korte, maar krachtige boottochtje, klommen we opnieuw de berg op naar het Motomachi district om een bezoekje te brengen aan de voormalige Public Hall. Die Public Hall dateert uit 1910 en werd gebouwd ter vervanging van de vorige die in vlammen opging. In de Public Hall konden we een blik werpen in het keizerlijk toilet dat speciaal gebouwd werd voor het driedaagse bezoek van de keizer in augustus 1911. Onder het toilet werd een verwijderbare doos geplaatst met zand en cederbladeren. Nadat de keizer zijn gevoeg had gedaan, werd deze doos verwijderd en aan de hofarts bezorgd voor inspectie. Hum, jah.

De concertzaal was een grote maar sobere zaal, waarin vooral het blinkende linoleum opviel. In de Public Hall liepen hordes in klassieke baljurken geklede Japanse meisjes rond. Wie wat extra flair aan haar bezoek van de Public Hall wil geven, kan zich voor 1500 yen laten opmaken en kleden in een chique baljurk. Een clevere manier om wat meer geld uit de bezoekers te slaan. Per slot van rekening zijn er weinig giechelende Japanse bakvissen die zo’n opportuniteit naast zich neerleggen.

Na ons bezoek liepen we opnieuw door de straat waar de ice cream war woedde. Gelukkig was elke zaak er nu min of meer in geslaagd wat klanten aan te trekken. Vandaag zou iedereen een graantje kunnen meepikken van het mooie weer en de drommen toeristen die deze historische wijk van Hakodate met een bezoekje wilden vereren.

Volgende halte: de Ropeway, want als de Michelingids zegt dat het uitzicht vanaf de berg Hakodate maar liefst drie sterren waard is, dan willen wij dit graag zelf controleren. Rond een uur of vier hadden we de top van de berg bereikt, twee uur voor zonsondergang, wanneer het uitzicht het mooist zou zijn. Geen erg, ik vond het uitzicht nu al pretty amazing. Je ziet de gebouwen van de stad Hakodate langs beide zijden omringd door zeewater. Toen we elk mogelijk uitzicht vanuit drie verschillende posities hadden gefotografeerd, vonden we het welletjes en gingen we iets drinken in de cafetaria die bij het observatieplatform hoorde.

Mijn vriend bestelde een blauw (!) biertje en ik at een Hakodate bavarois die een beetje flauw van smaak was. Ons tapwater werd in een steeds van kleur veranderend glas geserveerd. Een leuke gadget voor het thuisfront, ware het niet dat ze voor dat stukje elektronica belachelijk veel geld vroegen. Nadat we ons drankje en gebakje achter de kiezen hadden, was het tijd voor de zonsondergang.

En kijk, waar we eerst nog bijna de enige toeristen op de berg waren, hadden ze nu hele busladingen Japanners afgedropt om toch maar niets te missen van het driesterren uitzicht. Het was drummen voor een plaatsje en naarmate de zon zakte kwamen er steeds meer Japanners bij. We moesten een beetje wringen om de lichtjes van Hakodate aan onze voeten te zien schitteren, maar gelukkig zijn wij een beetje groter dan de modale Japanner waardoor we toch nog een mooi uitzicht te zien kregen.

Ik kan niet anders dan zeggen dat deze zonsondergang één van de hoogtepunten was van onze trip, zelfs al stond het kippenvel op mijn armen door de kille wind die opstak nadat de zon verdwenen was. Fantastisch dat we dit konden meemaken op één van de laatste dagen van onze reis en fantastisch dat Hakodate zo helemaal anders was dan ik het me had voorgesteld. Je hebt van die momenten die voor eeuwig in je geheugen gegrift staan en dit was er beslist zo eentje. Om te koesteren en aan terug te denken als we oud en versleten zijn.

Nadat het echt te koud voor mij was geworden, keerden we met de ropeway naar beneden op zoek naar eten. We kwamen terecht op hetzelfde pleintje als waar we de dag voordien gegeten hadden en zagen al die mensen zitten wachten op een plekje in de kaitenzushi. Wellicht zouden we een half uur moeten wachten, maar al dat volk was ongetwijfeld een indicatie van hoe lekker de sushi daar wel niet was. We schreven onze naam op de wachtlijst en wachtten, terwijl ik via de mi-fi Wordfeud speelde. We hoopten dat we onze naam zouden herkennen als ze die afriepen. Gelukkig was er weinig misverstand mogelijk: ze deden niet eens de moeite om onze naam af te roepen, ze kwamen ons gewoon halen.

Wat volgde was, denk ik, de allerbeste sushi die ik ooit gegeten heb. Allesbehalve goedkoop, maar o zo lekker. En verser dan vers. In het midden van de zaak stonden grote aquaria met allerlei vissen in. Soms stak een sushichef zijn arm in het water en kwam er met een spartelende inktvis weer uit. Enkele minuten later passeerde er kraakverse inktvissushi op de rolband. Als dessert at ik twee Hokkaido meloenen, gewoon omdat ze mij zo smaakten. Het was per slot van rekening onze laatste avond in Hokkaido en ik wilde graag de herinnering aan de smaak zo lang mogelijk meedragen.

 

We’re back from Japan!

Maar uiteraard vermoedden jullie dit al. De terugreis verliep deze keer vlotjes. We reisden terug in de tijd en ik keek ondertussen wat filmpjes: Barnabas Collins (flauw op enkele grappige onliners na), Prometheus (akelig) en Marie-Antoinette (die jurken, dat eten!). En kijk, onze koffers rolden als één van de allereerste van de bagageband waardoor we nog net de laatste trein naar Leuven konden halen. Aeroflot stelde ditmaal niet teleur.

Van de jetlag had ik naar goede gewoonte niet veel last. Als een mens moe genoeg is, komt de slaap vanzelf.

Staan deze week nog op het programma: een tweedaagse in Luxemburg en een vermoeiende vrijdag in Gent. Mijn koffer staat alweer gepakt.

Hakodate – 6 september 2012

Hakodate was in ons reisschema verzeild geraakt als noodzakelijke tussenstop naar Tokyo. Ik verwachtte een grote drukke havenstad met veel hoogbouw. Maar kijk, Hakodate bleek een aangename verrassing te zijn. Als je ooit naar Hokkaido gaat en je moet kiezen tussen Sapporo en Hakodate, geen minuut twijfelen, maar voluit voor Hakodate gaan.

Maar goed, laat ik starten bij het begin, ‘s ochtend bevonden wij ons nog in ons hotel in Otaru alwaar we het triestigste ontbijt ooit nuttigden: we hadden de keuze uit een drietal soorten vooringepakte sneetjes (jawel, elk sneetje brood was apart in een plastiekje verpakt) en een drietal soorten Hokkaido confituur. Ik koos een groene boterham (altijd voor de groene versie van iets gaan, het thuisfront maakt graag radioactieve grapjes) en bessenkonfituur.

Ik hield het bekeken na één boterham, we zouden wel onigiri kopen in het station van Otaru. We namen een iets vroegere trein dan gepland, waardoor onze tussenstop in Sapporo wat langer duurde en we daar in de ondergrondse een lekkere bentobox voor ‘s middags konden kopen. De rit van Otaru naar Sapporo was erg mooi, de trein reed de ganse tijd langs de kust en we hadden een mooi zicht op de zee die zich bijna op armlengte van ons bevond.

Het was waarlijk een bijzondere dag, want de eerste keer sinds onze aankomst in Japan scheen de zon niet. Donkere wolken die de belofte van regen inhielden, verborgen haar en het was zelfs minder dan dertig graden! Nu, echt erg vonden we dat niet, want we zouden vandaag toch een vijftal uur onderweg zijn naar Hakodate. En effectief, onderweg naar Hakodate zagen we de regen de ruiten van onze trein striemen.

Rond een uur of twee waren we in Hakodate. We waren net het station uit en stonden ons een beetje te oriënteren toen we overvallen werden door een bende schoolkinderen met schriftjes, die ons één voor één dezelfde vragen stelden: “What is your name? Where are you from? What is your favorite Japanese food? Wat is your favorite place in Japan? Who is the most famous Japanese person?” Braaf beantwoordden we hun vragen, hielpen hen onze namen correct schrijven en ondertekenden hun schriftjes. Blij dat ze waren. Tijdens onze vorige reis gebeurde dit regelmatig, maar ik neem aan dat het sowieso moeilijker is een buitenlander te strikken in Hokkaido.

We dropten onze valiezen in het Toyoko Inn hotel (kwam die membership kaart die we in Tokyo hadden laten maken toch nog van pas) en gingen de stad verkennen. De donkere wolken hadden ons gevolgd en ik denk dat het maar een graad of 23 was. En jawel, we waren nog maar een tiental minuten vertrokken of daar vielen de eerste regendruppels al. We gingen schuilen in een tot hotel omgebouwd oud pakhuis dat toevallig een café bezat met de welluidende naam La Mer. In de toog stonden daar prachtige gebakjes naar ons te lonken, dus bestelden we een “cake set”: twee stukjes gebak en een drankje erbij. De gebakjes waren erg lekker, maar niet echt Japans.

De regen trok al snel over en we besloten in de richting van het Motomachi district te gaan. Dit gedeelte dateert uit de periode dat Hakodate een verdragshaven was en officieel opengesteld werd om schepen en gezanten uit het buitenland te ontvangen. De buitenlandse invloeden zijn nog steeds duidelijk zichtbaar door de vele gebouwen in westerse stijl. We waren aangenaam verrast door deze gezellige en groene buurt met huizen die maximaal drie bouwlagen hadden, waardoor de oude gebouwen mooi tot hun recht kwamen.

Heel bijzonder waren de slopes: steile hellingen die me van ver wat deden denken aan San Fransisco. We bezochten een erg bijzondere concentratie van gebedshuizen. In dezelfde blok vond je een Russisch-orthodoxe kerk, een Rooms-katholieke kerk, een evangelische kerk, een Japans shinto-shrine en een Japanse boeddhistisch tempel, bijna broederlijk naast mekaar. Aan de Japanse tempel is een aardig verhaal verbonden: de tempel was de eerste die in gewapend beton gebouwd werd en sommige gelovigen twijfelden aan de stevigheid van het materiaal. Ze vreesden dat het beton niet sterk genoeg zou zijn om het gewicht van het dak te dragen. Daarom huurden ze een geisha in om op het gewapend beton te dansen om de stevigheid van het materiaal aan te tonen. Rare jongens, die Japanners. Ik weet niet hoeveel meer zo’n dak weegt dan een geisha, maar het zal toch ettelijke veelvouden zijn.

Ondertussen maakte het grijs in de lucht langzaam plaats voor blauw en zagen we zelfs af en toe een streepje zon. Dat ging de goede kant uit! Hakodate was, net als Otaru, duidelijk ingesteld op toeristen. Het was de eerste keer deze reis dat we groepen toeristen zagen die rondgeleid werden door een gids en we waren niet meer de enige westerlingen in de ruime omgeving. We kuierden verder in de prachtige wijk, namen in het midden van de weg foto’s van de slopes (veel auto’s passeerden er niet) en genoten van een relaxte wandeling.

We wierpen een blik in de evangelische kerk en de Russisch-orthodoxe kerk. In de Russisch-orthodoxe kerk kwamen we een koppel tegen waarvan de vrouw zo’n hoge naaldhakken droeg dat ik me goed kon voorstellen dat ze even wilde uitrusten op de kerkbanken (in de kerk moesten schoenen uitgedaan worden). Ik kon me haar pijn voorstellen toen ze even later haar tenen, versierd met blinkende steentjes, opnieuw in haar schoenen met hakken van tien centimeter moest wurmen. Ze moest letterlijk steun zoeken bij haar man/vriend toen ze de steile slopes naar beneden liep, anders zou ze beslist omgevallen zijn. Nu ben ik persoonlijk een grote fan van hakken, maar om een stad te bezoeken doen ik toch liever mijn havaianas aan. Die dingen hebben me al kilometers ver gebracht.

Uit mijn vorige verslagen zullen jullie ongetwijfeld afgeleid hebben dat Japanners dol zijn op ijsjes. Zo kwamen we in een mooie historische straat terecht met oude houten huizen, waar de tekenen van een verslechterende economie duidelijk zichtbaar waren. De straat bevatte maar liefst vier ijsjeszaken die mekaar dood concurreerden. Voor elke zaak stonden mensen om je toch maar aan te sporen om naar binnen te gaan en er werden aan elke voorbijganger kortingsbonnen uitgedeeld. Eén van de meisjes die ons een bon in de handen stopte, bezweerde ons dat de zaak waarvoor zij werkte beslist het allerbeste ijs had en benadrukte ons vooral de eerste shop links te laten liggen. Nu, volgens mij smaakt al dat softijs gewoon identiek en wordt dat allemaal op exact dezelfde wijze klaargemaakt. Maar het was tragisch om te zien dat vooral de zaken in het midden duidelijk worstelden om het hoofd boven water te houden. En ik zag de tragiek al voor me van een familiezaak die failliet ging de familieleden zonder erfenis achterlatend.

Wij kochten geen ijsje (we hadden nog maar pas gebak gegeten), maar vonden eindelijk een winkeltje waar ze aanvaardbare kaartjes verkochten. Net als vorig jaar hadden we het kaartjes schrijven uitgesteld tot het allerlaatste moment. Deels ook omdat we nergens kaartjes vonden. Otaru was de eerste plek waar we kaartjes zagen, maar deze waren zo lelijk dat ik het niet over mijn hart kon krijgen deze aan het thuisfront te versturen. Maar kijk, in Hakodate hadden ze erg mooie kaartjes en het viel mee dat Hakodate ons zo goed beviel. Enfin, we hebben de verkoper alleszins de dag van zijn leven bezorgd, want we kochten zowat heel zijn kaartenrek leeg.

Wat het Motomachidistrict voor mij zo bijzonder maakt, is het feit dat je er werkelijk nog de sfeer van de oude verdragshaven kan opsnuiven en natuurlijk het prachtige uitzicht op de haven zelfs vanaf de slopes. Omdat ik opeens dringend naar het toilet moest, kwamen we terecht in het voormalige Brits Consulaat dat nu een Engelse (!) souvenirshop bevatte (je kon er dus wel degelijk allerlei prullaria met de Engelse vlag op kopen) en een “tea room”. Dus bestelde ik een theetje en mijn vriend een Guinness, om helemaal in de sfeer te blijven. Ik kreeg mijn thee geserveerd met een theemuts en een zeefje om de achtergebleven blaadjes op te vangen. Absolutely fabulous. Ik voelde me echt een chique Engelse dame uit de tijd van Jane Austen, alleen mijn wijde baljurk ontbrak nog.

Na deze rustpauze was de zon al bijna ondergegaan. We krijgen maar niet genoeg van deze prachtige wijk en genoten van het vallen van de avond en maakten foto’s van de prachtig verlichte historische gebouwen tijdens het blauwe uurtje. Vooral de voormalige Public Hall was magisch in het avondlicht. Ik was danig onder de indruk.

Op zoek naar een goede plek om te eten, liepen we in de richting van het water, waar in veel oude pakhuizen restaurants gevestigd waren. De thee had echter mijn blaas in werking gezet en dwong ons om snel iets te vinden waar ik de druk op mijn blaas kon verlichten (twee keer op een dag dringend naar het toilet moeten, het was duidelijk dat er minder gezweet werd). Gelukkig was in één van de oude pakhuizen een grote winkel met etenswaren gevestigd (geen levende krabben deze keer, wel trappist cookies) en kon ik daar naar het toilet. Opgelucht (allez, ik toch) zetten we onze zoektocht verder.

We belandden in dezelfde buurt als waar we ‘s middags onze gebakjes hadden gegeten. De omgeving was sfeervol verlicht en er waren enkele restaurants vlak bij mekaar waar veel volk zat. We gingen een noedelrestaurant binnen en genoten even later van een dampend hete kop noedels en een flesje lekkere ijskoude sake daarbij. Noedels zijn echt een prima manier om lekker en niet te duur te eten in Japan.

We wandelden langs het water terug naar ons hotel en genoten van de mooie verlichting. In een dok zagen we twee speedboten liggen, waarmee je een ritje door de haven kon maken. Dat leek ons wel iets, dus we noteerden het voor de dag nadien.

Hakodate bleek helemaal niet te voldoen aan het beeld dat ik initieel had. Ik verwachtte een tweede Sapporo, maar Hakodate bleek ondanks haar grootte een charmante stad op mensenmaat te zijn waar de historische nalatenschap met de nodige zorgvuldigheid behandeld werd. Werkelijk een bezoek meer dan waard.

Otaru – 5 september 2012

Een treinritje van ocharme veertig minuten bracht ons in Otaru. Minpuntje voor mijn voorbereiding: we hadden beter drie nachten gelogeerd in het geweldig hotel Mercure in Sapporo met het al even geweldige ontbijtbuffet ipv een (minder goed) hotel te reserveren in Otaru. Otura had perfect een daguitstap kunnen zijn vanuit Sapporo. We hadden ons het extra gesleur met valiezen en rugzakken kunnen besparen en voor onze volgende bestemming, Hakodate, moesten we toch opnieuw overstappen in Sapporo. Beetje dom, maar niets meer aan te doen.

Otaru is een vissersstadje vooral bekend om wille van haar kanalen. Nuja, kanalen, ze hebben er welgeteld twee: een Noord- en een Zuidkanaal die dan nog eens in mekaar overlopen. Eén kanaal dus. Maar iedereen wil natuurlijk wel op de foto met dat ene, pittoreske kanaal met aan weerszijden oude, imposante pakhuizen. Wat de omgeving van het kanaal ook bijzonder maakt, is het feit dat de verlichting uit authentieke gaslantaarns bestaat. Ik weet niet of ze dat elders in de wereld nog hebben, dus voor wie houdt van een beetje nostalgie: in Otaru moet je zijn.

Wat ze in Otaru ook hebben zijn bootjes! En zoals trouwe lezers van mijn reisverslagen (enfin, ja, die vijf man die de moeite doet om die ellenlange epistels door te worstelen) wel weten, ben ik dol op bootjes. Ons allereerste wapenfeit in Otaru was dus een tochtje op de twee kanalen en door de havengeul. De temperatuur steeg weer vlotjes boven de dertig graden, daarom kregen we bij het instappen een parasol aangereikt om ons te beschermen tegen de zon. Die weigerden we beleefd. In tegenstelling tot de Japanners weet ik een bruin kleurtje wel te appreciëren en we gingen ervan uit dat de lagen zonnecrème die we gesmeerd hadden voldoende waren om ons voor verbranden te behoeden. Zo’n parasol zit in toch maar de weg als je foto’s wil nemen.

We hadden veel geluk, want één van de twee gidsen aan boord van ons bootje sprak Engels en vertaalde de Japanse uitleg voor ons (neen, architectuur en visserij zat ook niet bij de basiswoordenschat in de Japanse les). Of toch bijna alles, want ik ben er zeker van dat hij een paar grapjes niet vertaald heeft. Heel de boot lachte, behalve wij.

Wat ik wél grappig vond was de uitgebreide uitleg over de reddingsvesten. Het leek wel alsof we naar een stewardess in een vliegtuig stonden te kijken, met een mooie uitleg over aan welk touwtje we moesten trekken. Als het bootje zou kantelen, konden we volgens mij bijna te voet naar de oever waden. We leerden tijdens de rondvaart veel bij over de oude pakhuizen, waarvan de architectuur niet enkel functioneel was, maar ook vertrouwen bij potentiële klanten moest wekken. Zo waren er pakhuizen met een nutteloos tweede verdiep, met dakpannen die moeilijk het gewicht van de sneeuw konden dragen en dus vaak vervangen moesten worden en met rare torentjes en ornamenten in de vorm van vissen. De pakhuizen vormden op die manier de beste reclame voor hun eigenaar.

We kwamen ook langs een nogal sinister aandoend pakhuis dat blijkbaar dienst had gedaan als thuisbasis voor de slechteriken in de power rangers. Ik was in mijn jonge jaren niet meteen een fan van dit programma, dus herkende ik het gebouw niet, maar het zag er zeer geschikt uit als decor voor een tv- of filmset. Jaja, sinds we hier zijn hebben we al wat bijgeleerd over de Japanse audiovisuele industrie.

Veel van de oude pakhuizen kregen ondertussen een nieuwe bestemming, als garage, restaurant, brouwerij of zelfs als wedding chapel. Het boottochtje duurde veel te kort, maar het gaf wel een goed idee van de geschiedenis van Otaru en vormde zo een mooi startpunt voor ons bezoek, dat we verder zetten in de drukste en meest bekende wijk van heel Otaru: een tweetal straten vol met historische huizen die nu bijna allemaal ingenomen werden door souvenirshops, restaurants, ijsshops, chocoladeshops en glaswinkels. Want een Japanner kan geen historisch gebouw zien of hij wil er een winkel instoppen. Een paradijs voor shoppers én liefhebbers van softijs. Op sommige plekken kon je een horentje krijgen met maar liefst vijf verschillende smaken. Dat mega-ijsje moest je dan wel aan een sneltempo oplikken, want met deze temperaturen had je al snel milkshake.

Gelukkig waren de restaurants vrij authentiek en was er tussen de souvenirs nog een échte viswinkel te vinden . Het Kitaichi Museum voor Venetiaanse kunst lieten we toch maar voor wat het was. We zullen we eens een keertje in Venetië geraken, zeker? ‘s Middags aten we in één van de restaurants in de buurt een heerlijke rijstbowl met verse rauwe vis en viseieren. Tijdens het boottochtje had de gids ons verteld dat er in de haven zelf gevist werd, omdat het water daar zo proper is. Dit is heel uitzonderlijk, want meestal is het water in havens zo vervuild dat geen enkele vis zich daarin wenst op te houden. Wie weet aten we wel een stukje krab in de haven zelf gevangen.

We liepen wat winkels in en uit, maar het was allemaal wat te commercieel voor ons. Gelukkig was er Kitaichi Hall, een prachtige, volledig houten zaal die enkel door 167 olielampen verlicht werd. Die geur als je de ruimte binnenkwam, een heel aparte ervaring. Bij zo’n stijlvol etablissement hoort een glaasje wijn, dacht ik. Big mistake, of course. De wijn was echt niet te drinken, nog slechter dan al de voorgaande glazen die we geproefd hadden. Hij was zo slecht dat ik gewoon de helft heb laten staan. Zonde, want goedkoop is Japanse wijn niet.

Na onze drankpauze bekeken we de rest van de wijk. Veel tijd hadden we daarvoor niet nodig, aangezien we alle winkels oversloegen. Op de kaart van Otaru werd melding gemaakt van een cruise naar een ander gedeelte van de stad aan de overkant van de baai. Dat leek ons wel wat, dus op goed geluk liepen we naar het startpunt van de cruise. En geluk hadden we, want de allerlaatste boot vertrok om 16.00 en het was exact 15.57 toen we bij de kassa aankwamen. We kochten een ticketje heen en terug naar Shukutsu.

Eens aan boord vertrok ons bootje met een rotvaart terwijl we achternagezeten werden door een troep luid krijsende meeuwen. Aan boord kon je namelijk voeder voor de meeuwen kopen en dat wisten die beestjes maar al te goed. Aangezien ik meeuwen associeer met overlast, kocht ik zelf geen zakje voer, maar ik kreeg wel een beetje voer aangereikt van een vriendelijke Japanner, dat prompt door een meeuw uit mijn hand geplukt werd. Eén van de kleine kindjes aan boord vond het maar niks en zette dan ook haar keel open om nog luider dan de meeuwen te krijsen.

In een zucht waren we aan het andere einde van de baai. Daar stopten we voor vijf minuutjes om wat mensen te laten uitstappen en vervolgens aan een rotvaart terug te keren met alweer een troep meeuwen in ons kielzog. De dag was alvast een succes voor mij, niet één, maar twee boottochtjes. En het laatste tochtje was een echte brok adrenaline geweest, zonder dat we ook maar één seconde uitleg over reddingsvesten hadden gekregen.

Naast bootjes ben ik ook dol op Ropeways en toevallig hadden ze een Ropeway in Otaru. Een bustochtje later zaten we op de Tenguyama Ropeway. We waren net op tijd boven op de berg voor de zonsondergang. Alweer een perfecte timing . We genoten van het kleurenspel van de ondergaande zon terwijl aan onze voeten de lichtjes één voor één aangingen en de grens tussen water en lucht vervaagde. Eén van de top drie uitzichten in Hokkaido, had de gids in het eerste bootje ons gezegd en de Michelingids kende aan dit uitzicht één ster toe. Alleen jammer dat de temperatuur op de berg pijlsnel zakte eens de zon onder was. De allereerste keer kippenvel van deze vakantie was een feit. We namen nog snel wat fotootjes van de Hananade Tengu, een trol met een lange rode neus, en raakten zijn neus aan voor geluk. Daarna namen we de Ropeway naar beneden, want ons nieuw gevonden geluk hield de muggen niet op afstand.

We moesten nog inchecken dus gingen we terug naar het hotel. Omdat we niet veel zin hadden om nog ver te lopen, aten we in de buurt van ons hotel (hoe origineel). We kozen voor iets typisch Japans: kaasfondue! I kid you not, in Hokkaido maken ze lekkere kazen. Tijdens onze fietstocht in Furano stond normaalgezien nog een bezoek aan een cheese factory op het programma, maar de factory in kwestie was al dicht toen wij er arriveerden. Op deze manier maakten we dit gemis een beetje goed.

We hadden echt een communicatieprobleem met de ober die onze bestelling kwam opnemen. Het was de allereerste keer sinds onze aankomst in Japan dat we het gevoel hadden helemaal niet te begrijpen wat hij wilde zeggen en omgekeerd helemaal niet begrepen te worden. De ober haalde dan ook allerlei mooie volzinnen en moeilijke beleefdheidsconstructies boven, in plaats van korte, eenvoudige zinnetjes te gebruiken, zodat we konden verstaan waar het over ging. Enfin, het lukte om de kaasfondue te bestellen, maar wat op de kaart als een portie voor twee personen gepresenteerd werd, viel toch echt aan de kleine kant uit. De gesmolten kaas werd in een uitgehold brood geserveerd met een veel te kleine portie verse groentjes. Echt heel lekker, maar te weinig. Omdat het etablissement zichzelf een wijnbar noemde, besloten we het er nogmaals op te wagen: we bestelden een karaf rode Tazaki Zwiegelt Rebe. De eerste indruk was een beetje zurig, maar de afdronk viel mee en de wijn smaakte lekker bij de kaas. Een bescheiden succes.

Omdat ik na de fondue nog ruimte over had bestelde ik pannenkoekjes met ijs, chocoladesaus en fruit. Ongelooflijk maar waar, mijn pannenkoekje was een exacte kopie van de foto die op de kaart stond. Zelfs de manier waarop de chocoladesaus gedresseerd was, was precies gelijk. Creepy!

En daarmee zat deze dag er ook alweer op en kwam het einde van de vakantie akelig dichtbij.

Sapporo – 4 september 2012

Gisteren hadden we uitgevist dat er een bustoer was door Sapporo die ongeveer alle toeristische bezienswaardigheden aandeed. We waren echter te laat om toen die bus nog te nemen, dus vandaag deden we een nieuwe poging. Na het uitgebreide ontbijtbuffet stapten we naar de busterminal vlakbij het treinstation en kochten daar in de ondergrondse gangen een bentobox voor ‘s middags.

De meeste grote Japanse steden hebben in de buurt van stations en metro’s hele ondergrondse complexen met elk soort winkel dat je je maar kan voorstellen. Als je de metro of de trein neemt, hoef je zelfs niet buiten te komen om je aankopen te doen. Best wel handig. In België probeert de NMBS shoppen in stations te promoten, maar te zien aan de leegloop van de winkels in Brussel-Centraal, lopen deze pogingen niet van een leien dakje. In Japan daarentegen zoeken restaurants en winkels net de buurten van een station op. Waarschijnlijk omdat veel mensen in de stad geen auto’s hebben en op het openbaar vervoer als transportmiddel aangewezen zijn.

Ik kocht nog snel een stukje cheesecake (niet alleen een Amerikaanse, maar ook een Sapporo specialiteit) voor onderweg en we stapten op de bus richting het Okurayama Ski Jump Stadium. Voor alweer een bezoekje aan een dierentuin pasten we liever. Het Ski Jump Stadium werd gebouwd ter gelegenheid van de winterspelen van 1972, maar is nog steeds in prima conditie. We waren bijna de enige toeristen op de site die ook een sportmuseum bevat. Het museum lieten we links liggen, we trokken linea recta naar de stoeltjeslift om boven van het uitzicht te kunnen genieten.

Het uitzicht was werkelijk adembenemend. Het was de eerste keer dat ik zo’n springschans van dichtbij zag, maar oh la la, ik kan me niet voorstellen dat ik de moed zou hebben om daar op twee paar ski’s naar beneden te glijden. Ik zou waarschijnlijk ook te afgeleid zijn door het uitzicht en voorzeker ergens midden tijdens de vlucht op mijn gezicht gaan.

Met uitzicht op de schans en Sapporo aan onze voeten aten we onze bentobox op. Ik bestelde ter plekke een groene fanta (zelfs bovenaan een schans kan je eten en drinken en souvenirs kopen), maar dit bleek toch enigszins tegen te vallen. Zoals alle koolzuurhoudend dranken die ik in Japan dronk, had ook dit drankje een chemisch smaakje. But then again, smaken niet alle frisdranken een beetje chemisch?

Heel veel foto’s rijker, namen we de stoeltjeslift terug naar beneden om ons vervolgens busgewijs naar het Sapporo shrine te laten brengen. We genoten van de rust in het shrine en ik kocht voor 100 yen een fortune dat mij extreme luck voorspelde. Ik ben benieuwd! In het park rond de tempel zagen we ook de eerste herfstkleuren. Dit was zeker een anomalie, want het was het enige takje met rode bladeren in heel het bos, maar toch, herfstkleuren!

Na ons bezoek aan de shrine lieten we de bus ons helemaal aan het begin van Odori park afzetten. We wandelden op ons gemak door het langgerekte park en staken onze voeten nogmaals in het water. Niets verfrissender dan een fijne fontein in het midden van een hete stad. Ik ontdekte een als schuifaf vermomd kunstwerk van Isamu Noguchi en kon het natuurlijk niet laten om langs het zwarte glimmende oppervlak naar beneden te glijden. Soms moet een mens het kind in zich de ruimte gunnen.

We deden opnieuw een poging om een t-shirt van de Japanse nationale voetbalploeg te kopen voor de schoonbroer van mijn vriend. In de vorige winkel die we aandeden waren de shirts uitverkocht. Nu hadden we meer geluk. Al vielen we lichtelijk achterover van de prijs: 100 euro voor een voetbal t-shirt in een maat waarin de zwager in kwestie waarschijnlijk niet eens paste. (Groter dan een large verkopen ze niet in Japan. Wat met die arme sumoworstelaars die een voetbalt-shirt willen kopen!?) We zijn wel zo verstandig geweest dat t-shirt mooi te laten hangen.

Het licht van de zon werd alweer wat roder, maar eigenlijk hadden we in Sapporo al alles gezien wat we wilden zien. Tot ik me herinnerde dat ik niet ver van ons hotel een wolkenkrabber met een reuzenrad op gezien had en elders een foldertje over ‘the only ferris wheel on a rooftop in Hokkaido’. We wisten snel wat gedaan.

Ook op deze attractie was bedroevend weinig volk. Er stond meer volk aan het onthaal kaartjes te scheuren (want kopen diende je weer via een automaat te doen) dan er mensen in het reuzenrad zaten (wijzelf en nog een ander koppel). Ik weet het toch niet, hoor, misschien zijn dit nog de naweeën van de tsunami of zo, maar bij sommige plekken die we bezocht heb, stel ik me serieus vragen of deze op lange termijn rendabel zijn.

We hadden een perfecte timing voor ons ritje met het reuzenrad, prachtig avondlicht en een geweldig mooie blauwe lucht met wolkjes. Zo’n reuzenrad blijft ook altijd een beetje spannend, dat wiebelt, dat kraakt en je voelt het bakje meewiegen op de wind die boven altijd zoveel feller lijkt. Niets voor mensen met hoogtevrees, dus. 😉

We hadden nog helemaal geen honger, maar dorst des te meer. Het toeval wil dat er in de building van het reuzenrad een Italiaans restaurant/bar was. Op goed geluk stapten we er binnen in de hoop een aperitief te scoren. Het grote restaurant was volledig leeg, dus kregen we een mooi plekje in een chique leren zetel aan een groot raam. Helaas was het uitzicht nogal belabberd, we keken uit op een oud en verroest gebouw dat dringend een lik verf kon gebruiken.

De cocktails daarentegen waren voortreffelijk. Ik bestelde een cosmopolitan en mijn vriend liet zich iets met gin aanraden (yakkes, gin). Ik zette me schrap voor het ergste, maar kijk, kreeg ik me daar een perfecte cosmopolitan geserveerd. Dat smaakte naar meer, want goeie cocktails zijn dun gezaaid in Japan. Dus deden we eventjes gek en gingen we voor een tweede rondje: een kamikaze voor mij en voor mijn vriend een matador. Heerlijk!

Voor het avondmaal gingen we naar een krabrestaurant vlakbij ons hotel (tiens, we hebben in Sapporo alleen maar vlakbij ons hotel gegeten). Die gigantische krab op het dak deed het hem voor mij. Na even gewacht te hebben in de inkomhal (waar levende krabben rondzwommen), kregen we een apart lokaaltje helemaal voor ons alleen toegewezen, afgesloten door schuifwanden. Mijn knieën waren blij dat het lokaal ingericht was met tafels en stoelen, al zag ik op foto’s dat er ook echt traditionele ruimten met tatamimatten waren. Ik bestelde een krab set en mijn vriend krabsushi. Het idee was met elkaar te delen. Twee sets zou waarschijnlijk te veel zijn en zo konden we toch van alles proeven. Wat volgde was een overdaad aan potjes en schoteltjes met rauwe krab, krabsushi, dumplings met krab, krab hot pot, krab met eipudding, krabsoep, gegratineerde krab, enzovoort. Allemaal even lekker. En een Hokkaido meloen als dessert, wat wil een mens nog meer.

Toch vond ik Sapporo het minst interessant van de bestemmingen die we tot nu toe aangedaan hebben. We waren oorspronkelijk van plan geweest het Sapporo biermuseum te bezoeken, maar omdat dit nergens bij de highlights vermeld werd en de toeristische bus er niet passeerde, lieten we dit vallen. Misschien was dit niet zo’n goeie beslissing, want buiten de spectaculaire skischans, de TV tower en de vele krabrestaurants valt er niet zoveel te zien in Sapporo.