4 november: Vertrek uit Alice Springs en vlucht naar Darwin

Een bijzonder slechte nacht in ons bed in Alice Springs. Te warm, te veel lawaai, slecht bed. We pakten onze koffers bijeen en gingen naar de receptie om uit te checken. Scary moment van de dag: de VISA-kaart van mijn vriendje werd declined. Niet zo leuk. We hadden tot nu toe alles probleemloos met de VISA-kaart betaald en hadden dus niet voldoende geld bij om cash te betalen. Geprobeerd met twee maestrokaarten: ook declined. Op zo’n moment voel je je een echte schooier. De mevrouw aan de receptie stelde ons gerust: ze hadden die ochtend problemen met hun betaalsysteem gehad. Ze zou later nog eens proberen het verschuldigde bedrag van de rekening te halen (wat hier niet zal lukken zonder pincode, maar daar zwegen we wijselijk over).

We waren er toch niet echt gerust in. Op naar het tankstation om de huurwagen vol te tanken en daar nog eens geprobeerd om met credit card te betalen: weer mislukt. Gelukkig hadden we nog net genoeg cash geld om de brandstof te betalen. Met een paar Australische dollars en nutteloze euro’s op zak reden we terug naar het vliegveld waar we eerst onze huurwagen afleverden. Het was werkelijk mijn vriend zijn dagje niet, want bij het passeren van de security was hij de gelukkige die uit de rij gepikt werd voor een explosievencontrole. De veiligheidsbeambte zei het op zo’n manier dat het klonk alsof mijn vriend de lotto gewonnen had. “Congratulations, you’ve been selected for an extra security check.” Blijkbaar bleek mijn vriend nergens explosieven verstopt te hebben en mochten we zonder verder oponthoud doorlopen. Oef.

Tijdens het wachten op ons vliegtuig ontdekten we dat we gratis konden surfen. Hoera! Snel wat foto’s uploaden en dan het vliegtuig op. We bespraken wat we konden doen aan onze geldproblemen. Het was gelukt om cash geld af te halen op het vliegveld, maar hotels en wagenverhuurbedrijven vragen een credit card als waarborg. Blijkbaar blokkeren die bedrijven een bedrag als waarborg en doordat we nogal veel hotels aangedaan hadden, was waarschijnlijk de limiet overschreden. Mijn vriend zou, zodra de banken in België open gingen, bellen om te vragen de limiet (die op het minimumbedrag stond ingesteld) te verhogen. No worries, mate!

Voor de tweede keer zaten we in het vliegtuig aan een emergency exit. Blijkbaar zitten mijn vriend en ik net in een geschikte leeftijdscategorie om daar geplaatst te worden. Braaf lazen we nogmaals de veiligheidsinstructies terwijl we hoopten dat we ze niet nodig zouden hebben. Twee uur later stonden we in Darwin.

Update: Limiet van de credit card werd telefonisch verhoogd. Goeie service daar bij ING.

3 november: Kata Tjuta en de rit terug naar Alice Springs

Alweer uit de veren om zes uur. We wilden beslist die Valley of the Winds wandeling doen in Kata Tjuta, aangezien de climb naar de top van Ayers Rock nog altijd gesloten was. We hadden ons goed ingesmeerd met zonnecrème want de brandende zon van de dag ervoor had voor een paar rode plekken op ons witte velletje gezorgd. De zon bleef echter wat treuzelen achter de wolken. Iets wat we niet zo erg vonden, het maakte de wandeling draaglijker.

De Valley of the Winds wandeling is een absolute aanrader voor wandelaars met een redelijke conditie. Hier en daar was het stevig klimmen en het terrein bood veel meer afwisseling dan de monotone wandeling rond Ayers Rock. Ik heb echt genoten van deze wandeling. Prachtige vergezichten, ruw terrein, weinig collegawandelaars en zelfs één kangoeroe in het wild gespot. Respect trouwens voor de Hollander op zijn brommertje die volgens mij de wandeling twee keer zo snel afgelegd heeft als wij, in jeansbroek, zonder hoed en met zijn helm in de hand. Achteraf zagen we zijn brommertje op de parking staan: al zijn bagage vastgesnoerd op het bagagerek en daar bovenop een jerrycan met benzine en wat flessen water.

Na de schitterende wandeling was het tijd om terug te keren naar Alice Springs. Een lange rit van meer dan vijf uur. Langs de weg lagen verschillende karkassen van doodgereden kangoeroes. Gelukkig hebben wij geen dode kangoeroe op ons geweten en was de tocht lang, maar gemakkelijk, in een auto uitgerust met een zeer goed werkende airco.

We waren later dan verwacht in Alice Springs. Het internet café was ondertussen al gesloten en het draadloos Telstra netwerk in het hotel was echt onbruikbaar. Weer geen mogelijkheid om online te geraken. We waren vermoeid en hongerig van de lange tocht en besloten gemakkelijkheidshalve in ons eigen hotel te dineren. Dat bleek een goeie beslissing te zijn. Mijn barramundi was heel lekker en de linguini met zalm van mijn vriend zag er ook bijzonder smakelijk uit. We dronken een flesje rode wijn bij het eten en daarna nog enkele glazen Killawarra schuimwijn. De eerste avond dat we het er echt eens van namen.

Ons gesprek behandelde breed uiteenlopende onderwerpen zoals eerste liefjes, sex, wie de nieuwe president van de VS zou worden, de EGKS, Euratom, de EEG en daarop volgend het onstaan van de Europese Gemeenschap en het gefaalde project rond de Europese Grondwet. De Nederlanders aan het tafeltje vlakbij ons hadden blijkbaar geen interessante onderwerpen om over te spreken, want ze zaten hun ganse maaltijd overduidelijk mee te luisteren. Discreet was anders.

Na ons laatste glas werd het tijd om in bed te kruipen. Morgen Darwin!

2 november: Kata Tjuta

Na een groentetaartje voor mij en een gegratineerde pasta voor mijn vriend vertrokken we naar Kata Tjuta. Kata Tjuta betekent “vele hoofden” in de taal van de aboriginals. De Westerse naam voor deze eigenaardige rotsformatie is de Olgas. De rotsformatie ontstond zo’n 300 miljoen jaar geleden. De hoogste piek van de Olgas is tweehonderd meter hoger dan Ayers Rock. Kata Tjuta bevindt zich op vijftig minuten rijden van Ayers Rock. Na een rustige rit, enkel onderbroken door een stop bij een viewpoint waar we een eerste blik op de vele hoofden konden werpen, kwamen we aan op het heetste moment van de dag. De zon die de laatste dagen wat verstek liet gaan, was op volle sterkte en we voelden ons een beetje ontmoedigd door de verschroeiende hitte. We voelden ook de inspanning van de voorbije dagen en het slaapgebrek en opeens leek een wandeling van drie uur met als moeilijkheidsgraad “high” in de volle zon ons niet meer zo’n goed idee.

We kozen wijselijk voor een korte wandeling van een uur die als “moderate” stond aangeduid. De Tatintjawiya wandeling naar Olga Gorge bleek ontzettend goed mee te vallen, ik zou ze zelfs eerder makkelijk noemen. De wandeling voerde ons een groene kloof tussen twee pieken van Kata Tjuta in. We hoorden overal rondom ons vogels fluiten, maar helaas hielden ze zich verborgen voor ons.

Na de wandeling hielden we een snelle sanitaire stop in toiletten waarin je de productie van al je voorgangers kon zien liggen. Water is hier kostbaar, zeker op zo’n afgelegen plek en dan is een toilet met gewoon een grote bak eronder de beste, zij het niet de smakelijkste, oplossing. Enfin,’t is te merken dat ik nooit bij de scouts geweest ben. 😉

Terug in het hotel namen we een verkwikkende douche om het stof en het zweet van ons af te spoelen. Daarna reden we richting Ayers Rock voor een tweede poging om een memorabele zonsondergang mee te maken. Ditmaal waren er meer kijklustigen op post, al verschool de zon zich regelmatig achter het wolkendek. Er waren zelfs mensen die een hele picknick bij zich hadden. Na een periode van (naar mijn mening) veel te lang wachten, begon het spektakel. Nuja, spektakel. Van de overweldigende kleur rood die je vaak in folders ziet, was geen sprake. De rots verkleurde van bruinrood naar bruin naar donkerbruin. Gelukkig hing er vlak boven Ayers Rock een mooie wolk die nog enige kleurvariatie te bieden had.

Achteraf was ik een beetje teleurgesteld. Na al die lyrische taal in de foldertjes had ik zoiets van: is dit alles? Een gewone zonsondergang, niets bijzonders aan. Waarschijnlijk zal het licht in de zomer een rodere gloed hebben en dichter de foto’s die je altijd ziet benaderen. Maar toch voelde ik me een beetje bekocht. Al een geluk dat ik een boekje bij had om het wachten te veraangenamen.

Op naar het restaurant dan maar. Ditmaal waren we zo slim geweest om te reserveren in het restaurant en konden we genieten van een uitgebreid buffet. Ik denk dat ik ondertussen al een groot deel van de inheemse diersoorten geproefd heb. Krokodil is een wit, nogal taai vlees dat een beetje te droog en te hard is naar mijn goesting. Kangoeroe is ook een wat taaier vlees, maar wel heel lekker als het juist wordt klaargemaakt. Emoe heb ik alleen nog maar in gerookte versie geconsumeerd. Mijn favoriete vis is zeker de barramundi: heel lekkere witte vis die je op veel verschillende wijzen kan klaarmaken. Raar: de patatjes zien hier wit vanbinnen en niet lichtgeel zoals we dat gewoon zijn. Wat het dessert betreft, liet ik met verleiden door de cheesecake die echt zo lekker was als ze eruit zag en helemaal niet zwaar.

Ik had trouwens een heel amusant gesprek met onze ober. Hij vroeg vanwaar ik kwam (standaardvraag om een gesprek te openen) en ik antwoordde met gepaste trots: België. “Oja,” antwoordde hij, “daar spreken ze Frans en Duits, zeker?” Ikke: “Ja, en Vlaams, nu ja, Nederlands eigenlijk. Ik spreek Nederlands.” Hij: “Een vriend van mij heeft een Nederlandse moeder en die kookt verrukkelijke nasi goreng.” Ik: “Euh, is nasi goreng geen Chinees gerecht?” Hij: “Misschien heette het niet nasi goreng, maar het is een heel lekker gerecht met bananen.” Ik: “Euh.” Dus lieve lezers, hebben jullie een idee welk Nederlands gerecht met bananen deze grappige ober zou bedoelen, laat een berichtje achter in de commentaren.
(Het hele voorgaande gesprek heb ik voor het leesgemak vertaald vanuit het Engels.)

En zo eindigde alweer een dag in Australië. De tijd gaat hier veel te snel.

2 november: Cultural Centrum

Het Cultural Centrum geeft een overzicht van de cultuur en levenswijzen van de aboriginals en legt uit hoe het park bestuurd wordt. Terwijl aboriginals jarenlang als tweederangsburgers werden behandeld hebben ze in 1985 eindelijk de gronden teruggekregen die oorspronkelijk van hen waren en doet men pogingen om de cultuur te bewaren en uit te leggen aan de bezoekers. Hoewel ik dit alles zeer lovenswaardig vind, vraag ik mij af of dit geen vijgen na Pasen zijn. Heel interessant die oeroude initiatierites en ceremonies, maar we moeten daar eerlijk in zijn: de huidige generatie aboriginals loopt niet meer in een lendendoek rond en gaat niet meer op jacht met de speer. De symboliek van de muurschilderingen wordt herbruikt in de kunstwerken van de huidige generatie, maar dan nog.

Veel van de aboriginal cultuur hing samen met het harde leven in de woestijn: het bestaan als nomade, het zoeken naar water, de jacht op dieren, de kennis van eetbare planten. Het landschap is heilig voor de aboriginals en de verhalen over de tijd van de voorvaderen (dreamtime) worden slechts verteld aan leden van de stam. Kan zulk een mondelinge traditie bewaard blijven in onze huidige maatschappij? Niet-ingewijden krijgen maar stukjes en beetjes te horen van de verhalen. Zelfs de aboriginals zelf worden maar geleidelijk aan ingewijd in de geheimen van deze traditie. Er is geen schriftelijke neerslag van de traditionele vertellingen.

Ik stel me de vraag of pakweg een jonge tiener-aboriginal er nog veel boodschap aan heeft om “the old ways” aan te leren. Zou zo’n jonge kerel niet liever gebruik maken van al het moderne comfort van deze maatschappij? Luistert hij niet liever naar zijn favoriete muziek op zijn fonkelnieuwe ipod? Heeft hij er nog boodschap aan om te leren hoe je de sporen van dieren herkent en dat je nooit in water mag springen om de poel met drinkwater niet te verontreinigen? Wil zo iemand niet liever iets maken van zijn leven in plaats van vast te blijven hangen aan tradities die voor een deel achterhaald zijn. Traditie versus evolutie. Ik vind het een moeilijk vraagstuk. Misschien is mijn zienswijze ook helemaal verkeerd en ingegeven door de Westerse bril waardoor ik kijk. Misschien zijn er wel voldoende aboriginals die willen blijven verder leven op de oude manier. Ik kan alleen maar zeggen dat de aboriginals die ik tot nu toe gezien hebben vaak een uitgebluste en gelaten indruk gaven.

2 november: Uluru

Opgestaan met de hoop op beter weer. Het zag er ‘s ochtends nog stevig bewolkt uit en nu en dan viel er een druppeltje. Gelukkig goot het niet meer zoals de dag voordien. We beseften dat we de climb waarschijnlijk op onze buik konden schrijven. De top van Ayers Rock zouden we niet bereiken. Jammer, maar goed, veiligheid eerst. Al had ik soms de indruk dat men nogal snel de klim verbood met de veiligheid van de toeristen als excuus.

Uluru en Kata Tjuta Nationale park werden in 1985 in eigendom overgedragen aan de aboriginals op voorwaarde dat de Australische staat voor 99 jaar het domein in erfpacht zou krijgen. Momenteel wordt het park bestuurd door zes aboriginals en vijf blanken. Uluru is een heilige plek voor de aboriginals en, alhoewel ze de beklimming niet verbieden, hebben ze liever niet dat toeristen zich eraan wagen. In de brochures staat dat ze niet willen dat iemand verongelukt op hun heilige berg. Naar mijn gevoel, zullen ze daarom de veiligheidsrichtlijnen steeds verstrengen tot het beklimmen eerder uitzondering dan regel wordt.

Als alternatief voor de beklimming besloten we eerst de rondleiding onder begeleiding van een ranger te doen en daarna de basewalk, een stevige wandeling van een tiental kilometer rond de rots. Op weg naar de rots gaven we twee Duitse meisjes een lift. Zij wilden net als wij de basewalk doen, maar hadden geen wagen om op eigen krachten bij het startpunt te geraken. De Duitse meisjes waren net afgestudeerd aan de middelbare school en hadden nu een sabbatjaar ingelast. Een jaartje om de wereld rond te trekken. Als dat niet mooi is. Australië was hun eerste stop en daarna zouden ze nog Hawaï en California aandoen. Ik had bijna aan ze gevraagd of ze geen extra reisgezel wilden. 😉

Onze ranger was een geval apart: superzenuwachtig en bijna niet te verstaan doordat hij zo stil praatte. Het was een jonge kerel die vertelde dat hij hier nog maar drie maanden was. Hij had geen geluk met onze groep, want niemand had vragen en de reactie op zijn verhalen was eerder flauwtjes. Ik had met hem te doen en heb dan zelf maar enkele vragen gesteld. Hij vertelde ons wat over de bijzondere flora van de plek, wees struiken aan waar eetbare dadels aan groeiden, toonde een boom waarvan de aboriginals de bast gebruikten om gereedschappen mee te maken en vestigde onze aandacht op het bizongras dat geïmporteerd werd uit Zuid-Afrika en in de Australische woestijn een ideale bodem gevonden had. Elk jaar komen vrijwilligers met de hand gras uittrekken om het de wildgroei van het bizongras binnen de perken te houden. Er zijn toffere manier om je vakantie te besteden…

De ranger vertelde ons enkele legenden van de aboriginals en toonde ons de symbolen die je kon herkennen in de kriskras over elkaar gezette rotstekeningen. Sommige grotten die heel veel tekeningen bevatten, deden dienst als school voor de aboriginal jongens. Aan de hand van illustraties en verhalen werd hen uitgelegd volgens welke richtlijnen ze moesten leven. De tekeningen gebruiken een heel eigen beeldtaal die ook nu nog terug te vinden is in de kunst van de aboriginals.

Na de rondleiding begonnen we aan de basewalk. Stel je een breed verhard pad van een tiental meter voor op supervlak terrein waar gemakkelijk een auto op kan rijden, dat is het pad dat we volgden. De wandeling was een fluitje van een cent en je kon Ayers Rock langs alle kanten bewonderen. De rots ziet er van dichtbij anders uit dan ik had verwacht. Ik dacht dat de rots een grote massieve blok steen zou zijn, maar het zandsteen van de rots zit vol met gaten, spleten en vreemd gevormde grotten. Heel bijzonder. Je ziet ook duidelijk aan de zwarte verkleuringen van de rots waar het water naar beneden komt. Aan de voet van de rots zijn er twee kleine poelen die bijna altijd water bevatten (al had de ene poel voor de regenbui heel lang droog gestaan) en waar we het lustige gekwaak van kikkers konden horen.

Ik moet toegeven dat de wandeling het laatste half uur wel wat saai begon te worden. Rots, rots en nog eens rots. Het spannendste wat er gebeurde was een vervelend steentje in onze sandalen. We hadden het op den duur wel gehad.

Na de wandeling namen we een middagpauze in het cultural centrum van de aboriginals.

1 november: Aankomst in Ayers Rock (Uluru)

Het is bijna niet te geloven: toen we aankwamen in het Uluru-Kata Tjuta National Park, regende het pijpenstelen. Daar bevonden we ons dan midden in de woestijn,: het goot en ik had het ijskoud. Het weer zorgde er alvast voor dat we geen heimwee naar België konden krijgen. We reden rechtstreeks naar het visitor centre om wat brochures en informatie over het park op te halen. Jammer genoeg bleek het visitor centre vanaf 16.30u gesloten en stonden wij exact om 16.37u voor gesloten deuren. Gelukkig was er een alternatief (commercieel) centrum waar je terecht kon om rondritten en vluchten te boeken. De meneer aan de onthaalbalie beschikte over een prachtige snor en een onverstaanbaar soort Engels. Tussen het gemompel door slaagden we erin enkele woorden te ontcijferen: “You’re very lucky. You’ll see waterfalls at Uluru.” En: “The climb is closed since two weeks.” Achteraf hoorden we dat de besnorde heer in kwestie een Duitser was. (Niet dat ik hier iets mee wil zeggen. ;-))

Wij lieten ons echter niet ontmoedigen door een beetje regen en reden richting Ayers Rock (Uluru), een 348m hoge, eeuwenoude monoliet. Werkelijk een indrukwekkend schouwspel, zelfs in de regen. Rond de monoliet is een weg aangelegd met verschillende stopplaatsen (for sunrise and sunset viewing) en zijn er enkele wandelingen uitgestippeld. Wij reden rond de rots en stopten aan de Mala walk, een korte wandeling toegankelijk voor rolstoelpatiënten. Ideaal om in de regen te doen.

De heer met de snor had gelijk. We zagen het water in stroompjes langs Uluru naar beneden komen en hier en daar zagen we een watervalletje. Hoeveel toeristen kunnen zeggen dat ze Ayers Rock in de regen gezien hebben? We zagen ook tekeningen van de aboriginals in enkele grotten, maar doordat de tekeningen over mekaar geplaatst waren, viel het moeilijk te ontcijferen wat ze voorstelden. Die hards als we zijn, besloten we te blijven voor de zonsondergang. Ik kan jullie verzekeren: een zonsondergang in de regen is lang zo spectaculair niet als eentje waar de zon effectief zichtbaar is. We waren niet de enige die voor dit non-spektakel waren opgedoken, er stonden nog wat verkleumde mensen in de sunset viewing area. Maar druk kon je het niet noemen.

Teleurgesteld reden we terug naar het hotel om in te checken en onze hongerige magen te vullen. Het was ondertussen al 20.00u. Helaas was het restaurant “fully booked”. Daar stonden we dan met onze rammelende magen. Op naar het alternatief: de do-it-yourself barbecue. Het principe is simpel. Je wijst wat vlees aan dat er respectabel uitziet en haast je naar de grill waar het superheet is en je het genoegen kan ervaren je vlees zelf te bakken met kookgerei dat al door tientallen handen voor jou gegaan is. Daarna snel je naar de ongekoelde salad bar die zich net als de grill in openlucht bevindt en kies je wat groenten uit waarvan je vermoedt dat je geen diarree zal krijgen. De groentjes worden met plastieken schuifdeurtjes afgeschermd van de vliegen en andere insecten, maar hongerige voorgangers vergeten deze al eens te sluiten of laten de opscheplepels pardoes in de slaatjes vallen.

Mijn vriend en ik voelden ons niet echt op ons gemak bij het verorberen van ons stukje kip en (veel te taaie) kangoeroe. Bovendien werd onze maaltijd begeleid door een krasse knar die hits uit de jaren stilletjes bracht. De salade hebben we wijselijk tot een minimum beperkt. Het zag er echt niet hygiënisch uit. Gelukkig had ik een glaasje Killawarra schuimwijn bij de hand om mijn verdriet over de tweede niet zo geslaagde maaltijd op één dag te verdrinken.

Daarna was het al bedtijd. We waren zo uitgeput dat zelfs een bende feestvierende aussies in de bar onze slaap niet kon verstoren.

1 november: Kings Canyon Rim walk

Het is moeilijk te geloven, maar de wekker liep vandaag om zes uur ‘s ochtends af. En dit is nog moeilijker te geloven: mijn vriend en ik sprongen gezwind uit bed, kleedden ons snel aan, namen een stevig ontbijt tot ons in het restaurant en vertrokken naar Kings Canyon. Al de waarschuwingen gisteren hadden ons wat schrik aangejaagd. Daarom waren we speciaal een hoedje gaan kopen en hadden we vier liter water mee in onze rugzakken en voldoende zonnecrème om ons van top tot teen te kunnen insmeren.

Het wolkendek dat gisterenavond en -nacht voor fikse regenbuien gezorgd had, was echter nog steeds aanwezig. Alle zonnewerende middelen konden dus in de rugzak blijven. Het voordeel was wel dat het stukken minder warm was dan gisteren waardoor het zwaarste gedeelte van de tocht, de klim naar de rand van de canyon, in een mum van tijd achter de rug was. We genoten van het werkelijk spectaculaire uitzicht. Fantastisch gevoel om op eeuwenoude rotsformaties te staan en te genieten van de woeste pracht der natuur.

Minpunt: de canyon is erg populair. We waren ondanks het vroege uur niet de enige toeristen. Hielden ons gezelschap: een bus Engelse scholieren (hmm, ik heb nooit zulke schoolreisjes gemaakt in mijn tijd) en een groep Hollanders aangevuld met enkele eenzame Belgen. Toen was ik even blij dat mijn vriend en ik deze reis op ons eentje doen. Stel je voor dat we in een groep met kwetterende Hollandse dames terechtgekomen waren. 😉 De aanwezigheid van de groepen zorgde zo nu en dan voor lawaai dat toch wel stoorde in deze prachtige omgeving.

We bezochten de Tuin van Eden, een stukje natuur waar nog planten en dieren terug te vinden zijn van toen Australië een natter klimaat kende. Zeer mooi was ook de waterpoel in het diepste gedeelte van de canyon waar het vol met vogeltjes zat. Dat wil zeggen, vol met vogeltjes totdat een paar toeristen het nodig vonden om het stille water te verstoren. We beklommen wat trappen, genoten van verrassende en soms duizelingwekkende uitzichten, staken bruggetjes over kloven over en keken naar de restanten van wat eens een zee was. We zagen ook zeer grappige vogels met een grote rechtopstaande kuif die op minder dan een meter afstand van ons zaten. Ze poseerden zelfs mooi voor de foto. Heel leuk.

Na zo’n drieëneenhalf uur wandelen was de tocht achter de rug. En weer waren we net op tijd terug in de wagen voordat de regenbui losbarstte. Het lijkt erop dat we het natte Belgische weer naar Australië meegenomen hebben. Er is wel een omstandigheid die een regenbui hier veel aangenamer maakt dan thuis: nadat de eerste druppels gevallen zijn, begint alles overheerlijk naar eucalyptus te geuren.

‘s Middags aten we een snelle hap in de snackbar bij ons hotel en daarna begonnen we aan de lange rit naar Ayers Rock. De snelle hap (een wrap met kip) viel me trouwens heel erg tegen. Het smaakte me totaal niet. Ik heb dan ook de helft laten liggen. De eerste keer in Australië dat ik echt iets tegen mijn zin binnengewerkt heb.

31 oktober: De rit naar Kings Canyon

We begonnen de dag met een stevig English breakfast om voldoende krachten op te doen voor de komende verplaatsing. Na vergeefse pogingen ondernomen te hebben om wat teksten en foto’s te uploaden en mijn mails te checken, vertrokken we naar Kings Canyon. Een lange rit door het desolate Australische landschap. Hier en daar kruisten we de beroemde road trains, vrachtwagens met twee à drie aanhangwagens. De weg lag er verlaten bij en de reis verliep zeer vlot. We stopten in Erldunda voor een korte middagpauze met wat vers fruit en een waterijsje. Langs de wegen zagen we regelmatig platgereden kangoeroes. Van hun levende soortgenoten, geen spoor. Het landschap was indrukwekkend in al zijn weidsheid. We zetten even de radio aan, maar de muziek paste niet in het plaatje en al gauw heerste de stilte weer.

Na een rit van ongeveer vijf uur, kwamen we aan in het Kings Canyon Resort, een zeer groot complex met campings, hotelkamers, restaurants en picknickgelegenheden in the middle of nowhere. we hadden een zeer ruime kamer die zelfs uitgerust was met een ligbad. We lieten onze spullen achter en besloten de beroemde Kings Canyon eens van dichtbij te bekijken. Bij het vertrekpunt van de wandelpaden stonden uitgebreide waarschuwingen over de moeilijkheidsgraad van het traject met kledingsvoorschriften en richtlijnen over de hoeveelheid water die je moest meenemen. Ons oorspronkelijke plan was de lange wandeling te maken langs de rand van de canyon, maar omdat het ondertussen al bijna vier uur was en de wandeling tussen de drie à vier uur zou duren, besloten we voor de gemakkelijke “familievriendelijke” wandeling te gaan. Een wijze keuze, zo bleek achteraf, want we waren nog geen vijf minuten terug in onze wagen of het begon te gieten. U dacht dat het centrum van Australië een kurkdroog woestijngebied was? Think again, wij hebben hier al meer regen gehad dan in Sydney.

De wandeling zelf was zeer mooi en helemaal niet zwaar. Op geregelde tijdstippen stonden er borden met uitleg over de geologische rotsformaties en de planten- en diersoorten die in deze bijzondere omgeving floreerden. De hoog oprijzende wanden van de canyon deden ons verlangen naar meer. We besloten de volgende dag vroeg uit de veren te zijn om de lange wandeling over de rand van de canyon te maken.

Terug in het hotel luisterden we naar het getik van de regen op het dak. Blijkbaar was het twaalf maanden geleden dat het nog eens in deze contreien geregend had. De plaatselijke bewoners (bestaande uit mensen die in het Kings Canyon Resort werkten) konden hun geluk dan ook niet op. Mijn vriend en ik gunden ze hun plezier, maar hadden eerlijk gezegd toch op iets mooier weer gehoopt. We lieten het echter niet aan ons hart komen. We reserveerden een tafeltje in het Carmichael’s restaurant om acht uur, namen een uitgebreide douche, maakten wat tijd voor mekaar en voila: het was al dinnertime.

We wisten niet zo goed wat we van het restaurant te verwachten hadden, maar dat bleek enorm goed mee te vallen. Het werkte met een buffetformule: je betaalt een vaste prijs en verder plunder je het buffet naar believen. Ik genoot van de Australische mosselen (veel groter dan die in België) die koud geserveerd werden met een soort confituurachtig zoet sausje. Klinkt vreemd, maar het was erg lekker. Ook lekker: de barramundifilet en het zeer malse lamsvlees. Kon me helemaal niet bekoren: het gerookte emoevlees: veel te zout en te taai.

Na het eten kropen we snel in bed, want de wekker zou de volgende dag op een onmenselijk vroeg uur aflopen. We kropen elk in een apart bed wel te verstaan. De kamer was namelijk uitgerust met twee twijfelaars en naar het schijnt neem ik ‘s nachts alle lakens in beslag en draai ik te veel rond en wordt mijn vriendje altijd wakker als ik naar het toilet ga. Pfft… Het is te merken dat we al bijna tien jaar samen zijn. 😉

30 oktober: Hitte in Alice Springs

Ons laatste ontbijt in de Food Court in Sydney. We aten gevulde pannenkoekjes en kochten onze laatste smoothie. Waarschijnlijk zouden we het in Alice Springs met minder moeten stellen. Daarna was het een beetje stressen om op tijd op het vliegveld te geraken voor onze vlucht naar Alice Springs. De shuttle die ons kwam ophalen, was wat aan de late kant en de timing was erg krap. Een beetje te krap voor twee controlefreaks. Op de luchthaven aangekomen, bleek al dat gestress verloren energie te zijn, want het vliegtuig had vertraging.

Op het vliegtuig zaten we naast een meisje dat naar Alice Springs vloog voor een job interview. Iets wat ons, Belgen, nogal bijzonder in de oren klonk. Ik heb een poging gedaan om in mijn beste Engels de politieke situatie in België uit te leggen, maar aan haar gezicht te zien heeft ze er niet veel van begrepen. Australia is een gigantisch land met een zeer uiteenlopende mix aan mensen. In China Town in Sydney is de voertaal bijvoorbeeld Chinees en het is opvallend dat ons Engels vaak beter is dan dat van de ingeweken Australiërs. Ik denk dat het Belgische gehakketak Australiërs een beetje absurd in de oren klinkt.

Na de landing begon ons grootste avontuur tot nu toe: links rijden op de Australische wegen. Omdat mijn vriend niet al te veel vertrouwen heeft in mijn rijkunsten, stelde hij voor het stuur te nemen. Ik ben de navigator. Al valt er hier in het centrum van het land niet zoveel te navigeren. Het aantal wegen is erg beperkt en de signalisatie is zeer goed. Na wat rondjes gedraaid te hebben op de parking van het vliegveld en een paar keren in de gordels gehangen te hebben omdat de remmen zo gevoelig afgestemd stonden, voelde mijn vriend zich klaar om aan het grote werk te beginnen: op naar Alice Springs.

Zonder ongelukken bereikten we ons hotel. We moesten even wennen aan de hitte, maar het was draaglijk. We dumpten onze valiezen op de kamer en trokken op verkenning in Alice Springs. Ik moet toegeven dat de schok na Sydney niet groter had kunnen zijn. Onze eerste indruk van Alice Springs was dan ook niet zo positief. We vonden het stadje lelijk. Het was duidelijk dat we hier in het land van de aboriginals waren. Misschien is het mijn verbeelding, maar als ik naar hen kijk, vind ik dat ze een zeker tristesse uitstralen. Ze lopen wat krom, zien er dof en gelaten uit. Hoe zou je zelf zijn als je land in beslag genomen werd door blanken, je eeuwenoude tradities verdwijnen, je stamgenoten gedecimeerd werden door ingevoerde ziektes en je voor een deel gereduceerd wordt tot toeristische attractie. Kenmerkend vond ik een klein gebouwtje in het stadscentrum: Aboriginal Employment Strategy stond er in grote letters op. Voor de deur zaten en lagen aboriginals, niks te doen.

Mijn vriend en ik besloten een wandeling te maken naar het telegraph station, de ontstaansreden van Alice Springs. Onze eerste stop was Anzac Hill, een kleine heuvel die ons een prachtig uitzicht bood op de omgeving. We konden ons al wat meer verzoenen met Alice Springs. Daarna trokken we de wildernis in. Nuja, wat heet wildernis, we bleven mooi op het afgebakende pad. Nog geen kwartier later zag ik mijn eerste kangoeroe in het wild. Kangoeroes hebben weinig schrik van mensen, want hij (of zij) bleef mooi poseren voor de foto. Hoe verder we wegwandelden van Alice Springs, hoe mooier de natuur werd en hoe meer dieren we zagen: kangoeroes in alle soorten en maten, een soort parkieten met een roze borst, roofvogels, we zagen zelfs dingo’s.

Het telegraph station was een beetje een teleurstelling. Het gebouw was duidelijk een reconstructie en we waren te laat om het nog te kunnen bezoeken. We bleven niet lang ter plaatse, want de avond begon te vallen en we hadden toch nog een wandeling van een veertigtal minuten voor de boeg. Ik had niet veel zin in het pikkedonker in de outback in Australia rond te lopen. Bovendien zagen we in de verte bliksemflitsen en kwam het onheilspellende gerommel van de donder steeds dichterbij. We verhoogden ons tempo en legden de weg naar Alice Springs in zo’n dertig minuten af. Ons tempo lag helaas net niet hoog genoeg om op tijd terug te zijn. Tijdens de laatste honderd meter werden we ingehaald door een fikse regenbui. De dikke druppels voelden ijskoud aan op mijn vel en binnen de kortste keren had ik kippenvel. Niet bepaald het weer dat we verwacht hadden. We spoedden ons naar het dichtsbijzijnde restaurant, waar de airco zo hard stond dat ik het nog kouder kreeg. Enfin, mijn curry met vis en scampi was lekker en het watermeloensap smaakte naar meer.

Totaal uitgeput sleepten we ons daarna terug naar het hotel. Van het Australische nachtleven hebben we nog niet veel gezien. 😉

29 oktober: Regen in Sydney

Toen we ‘s ochtends de gordijnen van onze hotelkamer op het negende verdiep opentrokken, wisten we meteen dat we onze plannen voor de dag moesten wijzigen. We wilden in de voormiddag de zoo bezoeken en in de namiddag een strandje of drie aandoen. De gietende regen maakte hier echter een kruis over. We namen onze gids erbij en zochten een alternatief. Dat alternatief vonden we in het maritiem museum. Een museum dat een echte aanrader bleek te zijn. We bezochten achtereenvolgens de HMS Vampire, één van de laatste gunships, een kopie van de Endeavour, het schip van de beroemde captain Cook en de James Craig, een oude bark die door liefhebbers volledig opgekalefaterd werd.

Wat mij aangenaam verraste aan dit bezoek, was het feit dat we door vrijwilligers rondgeleid werden op de schepen. Gepensioneerde heren die hun hart aan deze schepen verloren hadden. Terwijl ik moest slikken bij het zien van de britsen en de claustrofobische ruimtes in het oorlogsschip HMS Vampire, zei de vrijwilliger die zelf nog dienst had gedaan op een gelijkaardig schip: “I enjoyed every minute of it.” Al moet ik er wel bij vermelden dat hij nooit in oorlogstijd gediend had. De kopie van de Endeavour en de James Craig (allebei zeilschepen, maar nu uitgerust met een bijkomende dieselmotor) varen nog regelmatig uit. De kopie van de Endeavour is zelfs twee keer rond de wereld geweest. De crew tijdens zulke tochten bestaat voor het merendeel uit vrijwilligers die met plezier het zware werk in de want verrichten en zeeziek worden in hun hangmat van het rollen van het schip. Een avontuur dat me sinds ons walvisuitstapje niet echt meer kan bekoren.

Het museum zelf was ook de moeite, een prachtig gebouw met een mooie collectie, waar we een beetje te snel doorgewandeld zijn omdat de drie rondleidingen al zo lang geduurd hadden. Ik was voornamelijk onder de indruk van de architectuur van het museum. Zeer mooi en perfect in overeenstemming met de functie van het gebouw.

Na het museum was het hoog tijd om wat op krachten te komen met een warme kop Lindt chocolademelk en een gesmoltenlavacakeje met witte chocolade-ijs. Ruim voldoende om mijn chocoladeniveau voor de week op peil te houden. Het was absoluut heerlijk. Na deze aangename rustpauze besloten we het Queen Victoria Building te bezoeken. Een vriendelijke Duitser die met ons mee was naar de Blue Mountains, sprak zeer lovend over dit gebouw. Ik vond geen informatie over het QVB in mijn gids, maar het stond wel op het plannetje van Sydney. Het was ondertussen al laat in de namiddag, dus we wisten niet of het nog open zou zijn. Dat bleek mee te vallen. Het QVB is een gigantisch grote shoppingmall. Meerdere verdiepingen met prachtig smeedijzerwerk, mooie zeteltjes, glasramen en een gigantische kerstboom van meerdere verdiepingen hoog. Een gebouw dat terecht de naam van een koningin draagt. We slenterden wat rond en vergaapten onszelf aan de mooie etalages.

Plots viel ons oog op een winkel die valiezen en handtassen verkocht voor belachelijk lage prijzen. Op de heenvlucht naar Sydney was één van onze koffers beschadigd geraakt. De wielen hingen er half af en het zou beslist niet lang meer duren voordat de valies definitief door haar wielen zou zakken. Vervelend, vooral omdat we nog een paar binnenlandse vluchten voor de boeg hebben en zo’n zware valies dragen is ook niet alles. We maakten meteen van de gelegenheid gebruik om een nieuwe valies te kopen. Eentje met een steviger onderstel of althans een onderstel dat er steviger uitzag. Hopelijk gaat deze valies iets langer mee dan drie vliegreizen.

Onze laatste avond in Sydney brachten we samen met E, T en kleine M door in Darling Harbour. We aten Thais en dronken daarna nog iets in één van de cafés op de kade. Ik had ontzettend zin in een cocktail, maar helaas werden er enkel cocktails geserveerd op het eerste verdiep en daar mochten geen kinderen binnen. Australië hanteert een strikte regelgeving rond alcoholgebruik. Jammer, maar niets aan te doen. Ik begrijp dat zo’n café niet het risico wil lopen om zijn licentie kwijt te raken. Nochtans beloofde kleine M ons plechtig alleen maar chocomelk te drinken. Ik had tijdens die afscheidsdrankje een erg leuk gesprek met E over filosofie, religie en de sf-boeken die we vroeger lazen. Soms kan je zo’n gesprek hebben waarbij je het gevoel hebt volledig op dezelfde golflengte te zitten. Dit was er zo eentje.

En toen was het tijd voor het afscheid. We gaven een afscheidszoen, omhelsden elkaar voor een laatste keer en dat was het einde van de eerste etappe van onze reis. Goodbye Sydney. Morgen Alice Springs.