Maandag 18 april: Hakone

Alweer een mindere nacht. In onze hotelkamer hing een duffe geur van (denk ik) verschaalde rook en die geur kroop in mijn neusgaten en zorgde voor een opstoot van die vervelende prikkelhoest waar ik al even mee sukkel.

We hadden de bar waar het ontbijt geserveerd werd helemaal voor ons alleen. Twee diensters stonden volledig ter onzer beschikking. We kregen een Westers ontbijt met worstjes, roerei en toast. Een aangename afwisseling tussen al die rijst door. Na het ontbijt wandelden we langs de hoofdstraat naar het treinstation van Hakone waar we de bus zouden nemen. Hakone is een bergdorp met natuurlijke hete bronnen dat al sinds de 9de eeuw populair is als kuuroord. Naar het schijnt kan het er erg druk zijn, maar daar merkten we op het moment dat wij er waren weinig van.

Een busrit van 40 minuten klimmen later zagen we het prachtige Ashimeer opdagen. We stapten uit aan de halte die op ons plannetje stond aangegeven en na even zoeken vonden we de oude laan met cederbomen. De bomen werden aangeplant in 1618 langs de oude Tokaido weg tussen Edo (Tokyo) en Kyoto. Nu is er nog zo’n 2 km over van de oorspronkelijke route. Heel indrukwekkend om te wandelen onder deze eeuwenoude bomen. Alleen spijtig van de drukbereden straat die er vlak naast lag.

Op het einde van de laan, kwamen we bij een reconstructie van de Sekishobarrière, een soort douane avant la lettre die de reizigers op deze weg en dan vooral de vrouwen controleerde. De gebouwen van de Sekishobarrière gaven een goed inzicht in het leven van toen. De vertrekken werden bevolkt door grijze mannequins die taferelen uitbeeldden uit het dagelijkse bestaan van het checkpoint. We klommen tot het uitkijkpunt helemaal bovenaan en kregen in ruil een prachtig uitzicht over het meer cadeau. Echt de moeite van het bezoek waard.

In één van de winkeltjes langs de weg kon ik het niet laten een pakje met kin-goma dango (de benaming volgens het plakkaatje in de winkel, al vond ik het eerder mochi met sesamzaadjes errond). We aten de mochi op terwijl we wachtten op onze Hakone Sightseeing Cruise. (Het klinkt fancier dan het was.)

Een groot fake zeilschip voerde ons over Lake Ashi naar het begin van de kabelbaan. We gingen even boven op het dek staan, maar de snijdende koude wind dwong ons naar het benedendek. In de zomer moet dit een zalig boottochtje zijn. We zullen nog eens moeten terugkomen voor een onsenkuur in een ander seizoen.

Ons middageten nuttigden we in een groot self service restaurant bij het begin van de kabelbaan. Tijdens het hoogseizoen stikt het daar ongetwijfeld van het volk, maar nu was het er bijzonder leeg, wat maakte dat we snel gegeten hadden. Ook de kabelbaan hadden we bijna voor ons alleen. We konden zonder ook maar een minuut te moeten aanschuiven een cabine binnen wandelen. We genoten van het mooie uitzicht op het meer, maar het meest spectaculair was het zicht op het Owaku-dani (dal van het grote koken), een gebied met zwavelhoudende stoomgaten.

We stapten onderweg uit om door de Owaku-dani vallei te wandelen. De vallei werd gevormd door een vulkanische explosie en nog steeds bevat de ondergrond gevaarlijke gassen. Er deden zich in de vallei al verschillende aardverschuivingen voor en soms is het niet mogelijk de paden door de vallei te betreden omdat het te gevaarlijk is. Het borrelende melkwitte water, het geel van de zwavel en de stank van rotte eieren gaven je het idee dat je op een andere planeet was. Op het hoogste punt van onze wandeling door de vallei vonden we een hutje waar je “zwarte eieren” kon kopen. De eieren werden gekookt in het natuurlijk kokende zwavelhoudende water, waardoor de schil helemaal zwart werd. Uiteraard verandert dat niets aan de smaak, maar iedereen die tot boven komt, moet natuurlijk zo’n ei consumeren.

We voelden alweer regendruppels, dus zetten we onze tocht in de kabelbaan verder. Aan het einde van de kabelbaan wachtte ons alweer een ander transportmiddel: een tandradtrein (cable car). Het treintje overbrugde een steile helling naar beneden, waar we op een al klaar staande gewone trein overstapten.

We zaten enkele minuten in de trein, die nog steeds niet vertrokken was, toen we ons realiseerden dat onze twee paraplu’s nog in de tandradtrein lagen. Het treintje stond er nog steeds. We twijfelden even, want een trein voor je neus zien vertrekken is niet leuk, maar mijn vriend besloot het erop te wagen en snel terug te lopen naar de tandradtrein. Tot onze verbazing bleek er van de paraplu’s geen spoor meer. Al een geluk dat we er niet echt persoonlijk aan gehecht waren en er op onze hotelkamer nog twee andere lagen. 😉

Een treinrit van veertig minuten later waren we opnieuw in Hakone. Het was ondertussen alweer een uur of zes, sluitingstijd in Hakone. We vonden een kunstzinnige eetgelegenheid die we helemaal voor ons alleen hadden en waar we sandwiches en een stukje taart aten. De ruimte stond vol met resultaten van de verzamelwoede van de eigenaar: mariabeelden, schilderijen, prullaria. Alles had er een plaatsje gevonden.

Na dit bescheiden avondmaal sloeg de vermoeidheid toe. We gingen terug naar het hotel om daar wat te relaxen. Gelukkig had ons seventies hotel een onsen. Twee zelfs, waarvan eentje helemaal boven op het dak. Helaas zijn in Japan de onsen bijna nooit gemengd. Dus genoot ik samen met de vriendin van mijn broertje van de deugddoende warmte van de onsen, terwijl mijn vriendje zich zonder internet verveelde op de kamer.

Zondag 17 april: Tokyo en Hakone

Gelukkig was de maag van mijn broertje vlot hersteld van het pijnlijke tempura-incident van gisteren. Helaas bracht ik een groot deel van de nacht weer hoestend door en begon ik op de koop toe last te krijgen van keelpijn. Al een geluk dat we keelpastilles in onze reiskoffer gestoken hadden.

Voordat we aan onze treinrit naar Hakone begonnen, brachten we een bezoek aan het Harajukudistrict. Het district kwam tot bloei nadat hier in 1964 de Olympische spelen gehouden werden. Nu staat Harajuku bekend om de modewinkels en de jongeren met extravagante outfits die je er kan aantreffen. Die outfits waren meteen de reden van ons bezoek. Mijn broer is heel erg geïnteresseerd in de Japanse jongerencultuur, dus dit was één van de plaatsen die hij beslist wilde zien.

Bij het Olympisch Stadion in het Yoyogipark troffen we al snel een hele samenscholing van jonge meisjes aan in de meest uiteenlopende outfits. De bijeenkomst leek echter alles behalve spontaan, want ze stonden allemaal netjes in een steeds langer wordende rij. Een voorbijganger wist ons te vertellen dat de tienermeisje op een J-popidool stonden te wachten. Het optreden waarvoor iedereen stond aan te schuiven, begon om 17.00u. Wij waren er om half elf in de ochtend. Een mens moet er iets voor over hebben om een plekje vlak voor het podium te veroveren…

Na wat foto’s van mijn broer met de opgedirkte meisjes genomen te hebben (hij stak ongeveer een halve meter boven hen uit en de meisjes vonden het geweldig om met hem op de foto te gaan), trokken we richting het Meijiheiligdom, het belangrijkste shintoheiligdom van Tokyo. Het heiligdom stamt uit 1920, maar werd in 1945 door de bommen van de geallieerden verwoest. Met behulp van schenkingen werd het in 1958 weer opgebouwd. Rond de jaarwisseling bezoeken ongeveer drie miljoen mensen het heiligdom om te bidden voor geluk in het nieuwe jaar.

We liepen langs een prachtige bosrijke laan in de richting van het heiligdom toen we tegengehouden werden door vier jonge Japanse studenten. Zeer beleefd vroegen ze of ze ons een rondleiding in het heiligdom mochten geven. Ze studeerden allevier Engels en waren lid van een club om hun Engelse conversatie te oefenen. Ze verzekerden ons dat de rondleiding gratis zou zijn.

Uiteraard wilden wij deze jongelingen graag helpen om hun Engels wat te oefenen. We liepen samen verder en kregen wat uitleg over het heiligdom. Al snel bleek hun kennis van het heiligdom zelf heel erg beperkt. Ze hadden duidelijk enkele standaardzinnetjes ingestudeerd over bepaalde rituelen, maar van zodra je een vraag stelde, moesten ze het antwoord schuldig blijven. Twee van de vier konden redelijk hun plan trekken in het Engels, maar de andere twee bakten er eerlijk gezegd niet veel van. Ofwel waren ze te verlegen om iets te zeggen tegen ons. Ze ontdooiden gelukkig een beetje toen mijn broertje over Japanse anime en manga begon.

In het heiligdom zagen we een écht traditioneel Japans huwelijk met een prachtig uitgedoste bruid en bruidegom. Al zou ik niet graag in zo’n kimono rondlopen, lijkt me heel erg lastig om zo kleine stapjes te moeten nemen.

Het uur om onze trein naar Hakone te nemen, naderde. We namen afscheid van de sympathieke studenten. Natuurlijk niet zonder eerst samen op de foto te gaan, terwijl we het vredesteken maakten. Dé typisch Japanse manier om op de foto te gaan. 😉

In het station van Tokyo kochten we voor de lunch wat eten aan één van de vele kraampjes. Ik kocht een bentobox. Ik zag al veel foto’s van bentoboxen, maar het was de allereerste keer dat ik er zelf één at. De bentobox bevatte tempura, krab, opgelegde groenten, tofu, paddenstoelen en nog wat onidentificeerbare dingen die best lekker smaakten. Handig, zo’n kant en klare lunchbox. Jammer dat dit in België nergens verkrijgbaar is. Om de dorst te lessen, dronken mijn vriend een ik een heel toepasselijke smoothie: een Tokyo green met één of andere groene bladgroente.

Vlak voordat we de shinkansen opstapten, liet ik me nog verleiden tot de aankoop van een Tokyo banana, maar dit luchtige sponsachtige gebakje in de vorm van een banaan, gevuld met een soort bananenmousse kon op weinig enthousiasme bij mijn reisgenoten rekenen. En eerlijk gezegd had ik er zelf ook meer van verwacht.

In Hakone station werden we onthaald door een zeer gedienstige toeristisch medewerker. Aan de manier waarop hij zich uitsloofde om samen met ons alle mogelijkheden van de Hakone Free Pass te overlopen, viel duidelijk op te maken dat hij vandaag nog niet veel toeristen had zien passeren. Buigend en dankend verkocht hij ons deze pas die ons toegang tot een heel scala aan vervoermiddelen zou geven.

Om ons hotel te bereiken besloten we echter gebruik te maken van de benenwagen. De hoofdstraat van Hakone was een opeenvolging van winkels met etenswaren en souvenirs met daartussen wat restaurants. We maakten een kleine (ongewilde) omweg, maar dankzij de hulp van (alweer) een hulpvaardige Japanner vonden we Senkei Plaza, waar we een zeer ruime kamer in seventies style toegewezen kregen mét tatamimatten, maar gelukkig ook met gewone bedden.

Het was ondertussen een uur of half vijf, te laat om de aanbevolen route van de free pass te volgen. Dus beperkten we ons tot een wandeling door het centrum van Hakone, waar de meeste winkels ondertussen begonnen te sluiten. We vonden na wat heen en weer geloop een klein restaurantje waar we (alweer) soep met noedels aten. Mijn vriend had per ongeluk een gerecht gekozen met koude noedels. Het was eetbaar, maar laten we eerlijk zijn, warme noedels smaken echt wel beter. Om zeven (!) uur werden we uit het restaurant gezet omdat ze gingen sluiten

Tijdens onze wandeling hadden we een hotel gevonden met free wireless. Ons eigen seventies hotel was niet genoeg mee met de tijd om een internet connectie, laat staan een wireless connectie aan te bieden. In Hakone by evening valt zo goed als niets (zeg maar gewoon: niets) te beleven. Dus gingen we met z’n vieren iets drinken in de lobby van het hotel met wireless. Op de oprit staan surfen, is ook zo’n raar gezicht, nietwaar? De vriendin van mijn broer koos een fluogroen drankje van de kaart. Omdat we voor ons vertrek zoveel opmerkingen over radioactiviteit en groen uitslaan kregen, maken we er een sport van om zoveel mogelijk groene dingen te eten en drinken.

We besloten vroeg te gaan slapen, in de hoop dat mijn hoest zo snel zou verdwijnen.

Indrukken uit Japan

  • In Tokyo rijden de fietsers op het voetpad. Niemand gebruikt er een fietsbel, waardoor het toch wel even schrikken is als er plots een fietser rakelings langs je scheert.
  • In Japan zijn de meeste toiletten gratis. Alle toeristische bezienswaardigheden zijn uitgerust met moderne toiletten die meestal heel erg proper zijn. Er zijn zowel hurktoiletten als gewone wc’s voor ons verwende Westerlingen. Soms zijn de toiletbrillen zelfs verwarmd om onze billen vooral geen kou te laten lijden.
  • Een Japanner buigt, dankt, buigt, dankt, buigt, dankt, enzovoort enzoverder.
  • Japanners zijn zeer vriendelijk en behulpzaam. Je hoeft nog maar ergens stil te staan met een stadsplan in de hand of daar zijn ze al om je verder te helpen. Zelfs als je die hulp helemaal niet nodig hebt.
  • In alle restaurants krijg je gratis water of gratis thee. Een pracht van een dienstverlening vind ik dat. Mag gerust ook in Europa ingevoerd worden.
  • Mijn vriend heeft zich voorgenomen elke dag een nieuw drankje uit de alomtegenwoordige automaten te proberen, bij voorkeur eentje met veel cafeïne, koude koffie in blik is heel hip in Japan. Warme koffie in blik kan ook.
  • Nog nooit zoveel en zolang staan wachten aan rode lichten. Dat duurt en dat duurt en dat duurt. En toch blijven alle Japanners mooi staan tot het groen wordt.
  • In Japan vind je nergens vuilbakken op straat. Ook in de treinstellen vind je geen afvalbakjes. Enkel in de grote stations vind je hier en daar een afvalbak. Naast de automaten staat meestal een bak waarin de blikjes en petflessen verzameld worden. Dit blijkt een ideale manier om de straten proper te houden. Iedereen neemt gewoon zijn vuilnis mee naar huis en niemand gooit iets op straat. De straten liggen er werkelijk waar kraaknet bij. Aan de andere kant is dit behoorlijk vervelend als je een verkoudheid hebt en je nergens je papieren zakdoekjes kan wegsmijten.
  • In elke tempel kan je bij een monnik terecht voor een stempel en een wens in kalligrafie. Je koopt ter plekke een boekje en verzamelt zoveel mogelijk stempels. Een leuk aandenken voor later.
  • Het is muisstil in de metro. Niemand zegt iets en het is verboden te telefoneren. Iedereen leest ofwel een boekje, is bezig met zijn gsm of doet een dutje. Gesproken wordt er niet. Enkel wij buitenlandse toeristen wisselen af en toe een woord.
  • In de metro zijn er plaatsen voorbehouden voor oudere mensen, zwangere vrouwen en mensen met een handicap. Sommige treinen hebben wagons die enkel voor vrouwen bedoeld zijn.
  • Japanners vinden het snuiten van je neus een degoutante gewoonte. Nooit zal je een Japanners zijn zakdoek zien bovenhalen om zich van overtollig vocht en slijmen te ontdoen. Ze halen daarentegen (meestal erg luidruchtig) hun neus op totdat ze zich in afzondering kunnen ontdoen van deze ballast. Verkouden zijnde, denk ik dat ik dus al veel Japanners gedegouteerd heb.
  • Japanners gebruiken overdadig veel verpakkingsmateriaal. Een plastic verpakking per item, papiertjes, kartonnetjes, een groter plastic verpakking en daarrond nog eens een papieren cadeauverpakking. En jawel, altijd en overal krijg je een plastic zakje. Van afval voorkomen, hebben ze nog niet echt gehoord hier.

Zaterdag 16 april: Laatste dag in Tokyo

Vandaag gelukkig een betere nacht gehad. Er gaat toch niks boven een echt bed, zelfs al is het je eigen bed niet. We begonnen de dag met een bezoek aan de Senso-ji tempel in hartje Tokyo. In de Nakamise-dori, een straatje met shops met allerlei prullaria en etenswaren, ervoeren we voor het eerst de drukte van een miljoenenstad als Tokyo. Al vermoed ik dat de drukte op deze zaterdag al bij al nog meeviel en het tijdens hoogdagen nog honderd keer erger is.

We bewonderden de reconstructie van de vijf verdiepingen hoge pagode en wreven de Nade Botokesan Buddha over zijn hoofd om zo geluk en een goede gezondheid af te dwingen. We zagen de gigantische rode lantaarns die ongeveer in elk toeristisch boekje over Tokyo staan. Op weg naar de wierrookverbrander en de grote hal, kwam we langs een rij monniken die de passanten aanspoorden iets te geven voor het goede doel, vermoedelijk voor de slachtoffers van de aardbeving en tsunami.

Terwijl we dit alles in ons opnamen, voelden we de grond alweer lichtjes trillen, deze keer amper waarneembaar. Al zagen we wel de belletjes aan de pagode heen en weer wiegen. Het is verbazingwekkend hoe snel een mens aan dit fenomeen went. De eerste keer waren we een beetje ongerust en opgewonden tegelijkertijd, nu schonken we er amper aandacht aan.

We aten ter plaatse enkele typische Japanse specialiteiten: melon pan (een soort zacht gesuikerd brood in de vorm van een halve meloen), ningyo-yaki (de gevulde zachte figuurtjes die we eerder al in Kamakura aten) en een soort roze gefrituurde mochi. Japan heeft zoveel etenswaren die ons totaal vreemd zijn dat je hier elke dag van het jaar wel iets nieuws kan uitproberen.

We zegden de tempel vaarwel en namen één van de vele treinen van JR Rail naar Shibuya. Shibuya is het ontmoetingscentrum van de Japanse jeugd. Je vindt hier alles: restaurants, hippe kledij, muziek, gadgets, elektronica,… De hoofdstraten houden shopaholics in hun ban, terwijl mensen op zoek naar een beetje warmte in nightclubs, bars en love hotels terecht kunnen. Aan de uitgang van Shibuya station zagen we het beeldje van Hachiko, de hond die na de dood van zijn baasje meer dan tien jaar elke avond bij de uitgang van het station op zijn baasje ging wachten. Daarna dompelden we ons onder in de mensenmassa van Shibuya.

Voor het middageten besloten we ons op te splitsen. Mijn broertje en zijn vriendin snakten naar Westers eten en trokken richting Mac Donalds, mijn vriend en ik probeerden een Chinees restaurant uit. Ik had geen zin om geld te geven aan een Amerikaanse international en een gebakken dumpling gaat er altijd wel in.

In het restaurant zat het vol met tot in de puntjes verzorgde Japanse poppetjes die na de maaltijd één voor één hun schminkspullen boven haalden. Valse wimpers, fond de teint, mascara, poeder, lippenstift, lippengloss, oogschaduw. We zagen het hele gamma passeren. Ongegeneerd perfectioneerden ze hun make-up aan tafel of in het toilet. Ik wist niet dat valse wimpers aanbrengen zo vlotjes ging.

Na het middagmaal maakten we een wandeling die in onze gids stond. Helaas liet het goede weer ons in de steek, waardoor we opnieuw genoodzaakt waren paraplu’s te kopen om zo ons totaal op zes te brengen, want uiteraard lagen onze eerder aangeschafte paraplu’s nog in het hotel.

Shibuya zelf maakte op mij niet zoveel indruk. Veel volk, schreeuwerige neonreclames grote winkels en lelijke straatjes met love hotels. Niet bepaald mijn ding. En het feit dat ik hoofdpijn had, maakte de wijk er niet bepaald aantrekkelijker op.

We zegden Shibuya vaarwel en trokken met de trein naar West Shinjuku. Het station van Shinjuku is het drukste treinstation ter wereld. Elke dag passeren er meer dan twee miljoen mensen. Dit is één van de stations waar stationswerknemers tijdens het spitsuur de forenzen in de trein duwen zodat er zeker geen ongebruikt plekje overblijft.

In West Shinjuku werken zo’n 250.000 mensen in de gigantische hypermoderne wolkenkrabbers. Het meest indrukwekkend zijn de 48 verdiepingen hoge Metropolitan Government Offices. De inwoners van Tokyo noemen deze tweelingwolkenkrabbers “tax tower” omdat het bouwwerk in totaal 1 miljard US dollar kostte. Jammer genoeg was het niet mogelijk om het observatiorium op één van de hoogste verdiepingen te bezoeken.

Gelukkig was er ook een observatorium op de 51ste verdieping van het Sumitomo building dat ons een blik gunde op de miljoenenstad Tokyo. Spijtig genoeg was het erg bewolkt waardoor het uitzicht beperkt bleef. We besloten nog wat langer van het uitzicht te genieten en een chocomelk ter drinken in een café een verdieping lager. En zo zagen we genietend van een veel te dure chocomelk of koffie de zon ondergaan boven Tokyo. Tokyo by night gaf niet het lichtspektakel dat we verwacht hadden, maar dat kwam natuurlijk door de maatregelen om elektriciteit te besparen.

Ons avondmaal nuttigden we in hetzelfde gebouw. Mijn eerste keer sushi in Japan! Spijtig dat mijn broertje geen fan is. We namen met z’n drieën sushi en mijn broertje probeerde de tempura, die hem helaas niet al te best beviel. Met een ongestelde maag als gevolg. Een voedselvergifting oplopen in Tokyo, wie had dat gedacht?

Vrijdag 15 april: Nikko

Mja, die futons, echt goed heb ik er toch niet op geslapen. Al zal het feit dat ik midden in de nacht hoestend wakker werd daar ook wel voor iets tussen gezeten hebben. Vanuit België een verkoudheid meegenomen die enkel verslechtert in plaats van verbetert. Ik was nog geen dag van de antibiotica af of het was alweer prijs. En die jetlag gecombineerd met weinig slaap en vermoeiende dagen doet daar natuurlijk geen goed aan.

We moesten de ontbijtzaal in de Turtle Inn enkel delen met een Britse toeriste die duidelijk liever op haarzelf was. Ik denk echt dat we ongeveer de enige gasten in gans het hotel waren. We kregen een overvloedig ontbijt met veel fruit, een gekookt eitje en warme broodjes. Meer dan genoeg om er weer even tegen te kunnen.

Vanaf ons hotel wandelden we naar de Shinkyo heilige brug. Op de foto leek dit een idyllisch brugje midden in het groen, maar in realiteit lag er een drukke weg vlak langs die door de fotografen natuurlijk slim uit beeld gehouden werd. We lieten onze bagage opnieuw achter in de lockers en bezochten het Taiyuin-byo Shrine. Het was er erg rustig, zodat we op ons gemak al het magnifieke houtsnijwerk konden bewonderen.

Na al die cultuur, was het tijd voor een beetje natuur. Dankzij de duidelijke instructies van het lieve meisje in Tokyo vonden we zonder problemen de juiste bushalte en zaten we al gauw op de bus richting het Chuzenji meer en de Kegon waterval. Onderweg naar boven zagen we enkele apen. Deze beestjes voelen zich blijkbaar goed thuis in dit gebied, want we zagen borden waarop aangegeven stond dat het verboden was de apen te voeren en in de souvenirshops werd je om de oren geslagen door apenprullaria allerhande. Uiteraard lieten we ons verleiden tot de aankoop van een aapje voor het petekind van mijn vriend. 😉

Boven in de bergen bij het meer en de waterval had het vorige week nog gesneeuwd. Getuige daarvan waren de hopen moddersneeuw die her en der langzaam lagen weg te smelten. Ongelooflijk, want tijdens ons bezoekje scheen er een aangenaam zonnetje, al kon ik mijn fleece nog goed gebruiken.

Op weg naar de waterval, zagen we een heel bijzonder beest: een kamoshika, een soort berggeit die enkel en alleen in Japan voorkomt. Het diertje scheen zich bijzonder op zijn gemak te voelen in onze nabijheid en keek even nieuwsgierig naar ons als wij naar hem.

De Kegon waterval was spectaculair zoals we dat van elke zichzelf respecterende waterval mogen verwachten. Na fotootjes vanuit elk mogelijk perspectief genomen te hebben, gingen we op zoek naar iets eetbaars. De grote parking bij de watervallen was zo goed als leeg en de toeristische winkeltjes tjokvol souvenirs boden een uitgestorven aanblik. We voelden ons even de laatste overgebleven mensen op deze planeet.

Ook de hoofdstraat bij het meer was desolaat. We stapten op goed geluk een beetje een groezelig restaurant binnen waar we de enige klanten waren. Even twijfelden we aan onze keuze, maar na wat wachten kregen we een werkelijk voortreffelijk middagmaal voorgeschoteld dat onze hongerige magen voor enkele uren het zwijgen zou opleggen.

Het Chuzenji meer was heel mooi en veel meer valt daar niet over te zeggen. We waren vooral onder de indruk van de leegte en de stilte in het bergdorp. Terwijl alle accomodatie die we rondom ons zagen, uitschreeuwde dat het hier normaalgezien wemelde van de toeristen. Ok, het was maar een goede veertien graden, maar de zon maakte dat een wandeling naast het meer best aangenaam was. Ik hoop van harte voor de mensen van deze streek dat de toeristenstroom snel weer op gang komt.

Op de heenrit met de bus had ik gezien dat er een kabelbaan was. Op ons kaartje stond deze ook aangeduid en we begaven ons naar het punt waarop we dachten in de kabines te kunnen instappen. Daar was inderdaad een ticketoffice, dus kochten we snel een ticketje. Dat dit ticketje ons geen toegang tot een kabelbaan zou verschaffen, hadden we pas door toen we de liftdeuren zagen opengaan.

De lift bracht ons zo’n negentig meter naar beneden. Via een tunnel in de rotsen uitgehouwen die me verdacht veel aan Niagara Falls deed denken, kwamen we op een platform uit dat ons een nóg beter uitzicht op de Kegon waterval bood. Half zuchtend werden de fototoestellen weer bovengehaald om plaatjes te schieten. 😉

Daarna vonden we het welletjes. De uitgestorvenheid was een beetje deprimerend. De bus bracht ons via een steile, kronkelende eenrichtingsweg terug naar het centrum van Nikko. We keken onderweg uit of we nog meer apen zagen, maar ditmaal hadden we geen geluk.

Nadat we onze spullen uit de lockers gehaald hadden, moesten we vaststellen dat we de laatste World Heritage Bus gemist hadden en vingen we de weg naar het station dan maar te voet aan. Gelukkig hadden we ruim de tijd om onze trein van 18.08 naar Tokyo te halen. We waren zelfs te vroeg aan het station. Tijdens het wachten smulden we van lekkere Nikko Chocolate Mochi.

De terugrit duurde meer dan drie uur, waardoor we rammelend van de honger in ons hotel aankwamen, waar onze koffers gelukkig nog steeds op ons stonden te wachten. We vroegen aan de baliebediende waar we terecht konden voor een snelle hap, want in Tokyo sluiten veel restaurants vroeg. Hij verwees ons door naar een restaurant genaamd Denny’s alwaar we het slechtste eten van de ganse reis voorgeschoteld kregen. Tip: vertrouw nooit Japanse restaurants met een Amerikaanse naam. Je krijgt er vieze opgewarmde kost die de maag vult, maar ook niet meer dan dat.

Donderdag 14 april: Nikko

Al om zeven uur uit de veren om op tijd aan onze Nikko-tweedaagse te kunnen beginnen. Na het traditionele ontbijt met onigiri en misosoup lieten we, nadat we dit vriendelijk gevraagd hadden, onze koffers achter in het hotel en vertrokken we met enkele rugzakken richting Nikko. Kennissen van ons die al in Japan geweest zijn, hadden ons gezegd dat Nikko beslist een hoogtepunt zou zijn. We waren dus benieuwd. Ik had online een klein B&B hotelletje gevonden waar we één nacht zouden blijven.

In Asakusa station kochten we een World Heritage Pass die ons met de trein naar Nikko en terug zou brengen en waarmee we ter plekke de tempels konden bezoeken en het openbaar vervoer gebruiken. Het meisje dat ons de pas verkocht, zei in sneltempo haar lesje in het Engels op. Die trein om dat uur, die bus, die tempels, daar de waterval, enzovoort. Het kostte me de nodige concentratie om haar verhaal volledig te kunnen volgen. Gelukkig maakte ze aantekeningen op onze reisdocumenten en de bijhorende plannetjes.

De treinrit verliep, zoals we dat ondertussen gewoon zijn, vlekkeloos en buitengewoon stipt (ik onthoud mij van flauwe NMBS-grapjes). Onderweg zagen we veel kersenbloesems en rijstvelden. Toen we in de buurt van Nikko kwamen, werd het landschap opeens heel bergachtig. Een overgang die vrij abrupt verliep.

Bij aankomst in Nikko namen we de World Heritage Bus en trokken meteen daarna naar de plaats waar we in ruil voor een strookje van onze World Heritage Pass onze toegangsticketjes voor de verschillende tempels zouden krijgen. We moesten wel even in een winkeltje informeren waar deze plek zich bevond. Het was duidelijk dat deze vraag vaker gesteld werd, want de enkel Japans sprekende winkeldame had in haar winkel een geplastificeerd papier liggen met daarop de instructies om de juiste weg te vinden. Een duidelijke wegwijzer zou hier al een hele hulp geweest zijn.

Het was ongeveer middag, maar de eerste tempel lag vlakbij en we konden onze nieuwsgierigheid niet bedwingen. Van buitenaf zag de Rinno-ji tempel eruit als een gigantische witte loods. Deze constructie was rond de tempel geplaatst om haar grondig te restaureren. Geschatte einddatum van de restauratie: 2021. Maar eerlijk, het is geen zicht, zo’n lelijk gedrocht in een prachtige en idyllische omgeving als Nikko. De Rinno-ji tempel is de oudste van allemaal en werd in 766 gevestigd door Shodo Shonin. Het interessantste aan deze tempel zijn de drie grote vergulde Boeddhabeelden. Maar ik moet eerlijk zijn, als eerste tempel was dit een beetje een anticlimax.

Omdat ik door een kennis gewaarschuwd was dat de eetgelegenheden in Nikko ‘s avonds erg schaars waren, leek het een goed idee om ‘s middags alvast deftig te eten. Veel keuze was er niet: in de buurt van de tempels waren er welgeteld één restaurant en één snackbar. De mevrouw van de snackbar stond op straat en wilde ons, we hadden niet anders verwacht, van tekst en uitleg voorzien over de tempels en de beste manier om ze te bezoeken. Ze wees naar onze rugzak die met twee laptops, toiletzak en kledij inderdaad begon door te wegen en vroeg “heavy?” Bleken er lockers vlak om de hoek te zijn. Handig!

Door haar vriendelijkheid en behulpzaamheid voelden we ons een beetje verplicht om ook bij haar iets te eten. We namen met z’n drieën de Yuba Lunch. Yuba is een proteïnerijk voedsel dat gemaakt wordt door sojamelk te koken en het vel dat zich bovenaan vormt af te romen en te drogen. Nikko Yuba was een belangrijke vorm van proteïne voor de Yamabushi bergmonniken, die geen vlees mochten eten.

Onze maaltijd bestond uit Nama-Yuba (versgemaakte yuba wordt gegeten met sojasaus en wasaki), Makiage-Yube no Nituke (om dit gerecht te maken, wordt yuba gefrituurd in olie en gekookt in zoete sojasaus, Yuba no Gamaae (yuba met dressing van gemalen sesamzaadjes) en osuimono (gedroogde yuba in Japanse bouillon). De yuba lunch was heel bijzonder en best wel lekker, maar niet iets wat ik elke dag zou kunnen eten, dit in tegenstelling tot noedels of sushi.

Na deze versterkende lunch bezochten we het Tosho-gu Shrine dat vlakbij lag. Twee jaar lang werkten zo’n 15.000 handwerklieden uit gans Japan aan dit bouwwerk ter ere van de grootvader van bouwheer Tokygawa Iemitsu. Woorden schieten tekort om de pracht en praal van dit heiligdom te omschrijven. Elke vrije plek, zelfs van de stallen, is opgevuld met schitterend gedetailleerd beeldhouwwerk in magnifieke kleuren. Het bekendste beeld van deze tempel is het houtsnijwerk met de drie wijze aapjes (horen, zien en zwijgen). Volgens mij kan je dagen rondlopen in deze tempel en steeds nieuwe details ontdekken. Onze ogen zogen gulzig al dat moois op dat we (tevergeefs) probeerden te vangen in foto’s. Zoiets moet je nu eenmaal met je eigen ogen zien.

Heel bijzonder was ook de kamer met de plafondschildering van een draak. Niet dat plafondschilderingen van draken zo bijzonder zijn in Japan, maar als je op een bepaalde plaats ging staan en in je handen klapte, echode het geluid onder het dak zo dat het leek alsof de draak brulde.

We bleven rondhangen in het Tosho-gu shrine tot sluitingstijd (vier uur, jawel). Gelukkig bleek het Futara-san Shrine open tot vijf uur. De schoonheid van dit heiligdom was minder overweldigend dan die van het Tosho-gu Shrine. En maar goed ook, want ik weet niet of mijn zintuigen en hersenen dit allemaal op zo korte tijd konden verwerken.

Bij onze verkenningstocht langs de verschillende tempels viel op dat wij de enige Westerse toeristen waren en het aantal Japanse toeristen was ook op twee handen te tellen. Vermoedelijk te danken/wijten aan de kernramp in Fukishima. Het wegblijven van de toeristen maakte ons bezoek natuurlijk extra aangenaam. Geen massa’s toeristen die in de weg liepen, geen lange wachttijden, plaats zat om rustig foto’s te nemen. Maar voor de mensen die in Nikko in de toeristische sector werken, moet dit een drama zijn.

Nadat de laatste tempel gesloten was, haalden we onze rugzakken uit de lockers en trokken richting ons hotel: de Turtle Inn. Alleen al om de naam zou je hier willen overnachten. Het eerste gebouw waar we aankwamen, zag er nogal sjofel uit, maar we werden snel doorverwezen naar een ander gebouw, met betere uitgeruste kamers. Daar aangekomen, bleek dat we zowat de enige toeristen in het hotel waren. We hadden ervoor gekozen in een Japanese style room te overnachten, omdat we graag deze authentiek Japanse manier van slapen op futons en tatamimatten wilden meemaken.

De uitbater zei ons ook dat in de prijs van onze kamer gebruik van de onsen inbegrepen was. Dat moest je ons geen twee keer zeggen en wat later lagen we te weken in het hete water, maar niet voordat we ons op voorhand eerst grondig gewassen hadden. Japanners vinden de Westerse gewoonte om in je eigen vuil in bad te liggen weken erg vies. Je reinigt je voordat je de weldoende warmte van de onsen ondergaat. Het deed alleszins deugd.

Benieuwd hoe de nacht op de (toch wel harde) futons zou meevallen.

Woensdag 13 april: Kamakura

Vandaag stond er een uitstapje naar Kamakura op het programma. Kamakura is een stadje aan de zee met beboste heuvels en meer tempels en gebedsplaatsen dan je op één hand kan tellen. Van 1185 tot 1333 was Kamakura de hoofdstad van Japan, vandaar de hoge concentratie aan heiligdommen. Het kopen van de treintickets verliep vrij vlot en na een treinrit van iets meer dan een uur kwamen we aan in Kamakura.

De bus bracht ons naar de bekendste bezienswaardigheid in Kamakura: de Daibutsu, de Grote Boeddha. Het bronzen beeld van de Amida Boeddha is 13,5 meter hoog en overleefde tsunami’s, branden, aardbevingen en tyfoons. Om te verzekeren dat het beeld toekomstige natuurrampen ook zal overleven, werden er in de basis schokdempers aangebracht. De Daibutsu was indrukwekkend door zijn grootte en we konden even een blik in de binnenkant werpen, maar veel meer was er ter plekke niet te zien. Ik probeerde een softijsje uit dat je in Kamakura op elke hoek van de straat kon krijgen, maar veel soeps vond ik het niet.

Volgende stop: Hase-dera tempel. Wat een contrast met de sobere omgeving van de Daibutsu: een weelderige tuin, prachtige gebouwen en een magnifiek uitzicht op de baai van Kamakura. In de lucht zweefden roofvogels (kites) die je vooral niet mocht voederen, omdat ze met hun klauwen gemeen konden uithalen. We beklommen de vele trappen van het domein en genoten van het wisselende uitzicht op de zee.

Indrukwekkend vond ik de oude klok daterend uit 1264 en de godheid Jizo, de beschermer der kinderen, die omringd werd door een legertje beeldjes die de zielen van omgekomen en te vroeg geboren kinderen moesten voorstellen. De beeldjes worden soms van een rood of wit mutsje en een vestje voorzien door ouders die een kind verloren hebben. Alleen jammer dat het niet mogelijk was om aan de sutra’s te draaien, omdat ze tijdelijk buiten gebruik waren.

Hét pronkstuk was echter het beeld van de 11-koppige Kannon, bosatsu van mededogen. De vele verschillende hoofden illustreren het feit dat deze godheid een luisterend oor heeft voor elk mens, hoe verschillend ook. Het beeld werd volgens de legende in 721 gehouwen uit een gigantische boom die in twee stukken werd gezaagd. Uit beide stukken werden boeddhabeelden gehakt. Het ene kwam in een tempel vlakbij Nara terecht, het tweede werd in zee geworpen in de hoop dat het opnieuw zou verschijnen om de mensen te redden. Vijftien jaar later in 736 spoelde het beeld, lichtgevende stralen uitzendend, aan in Kamakura. De Hase-dera tempel werd gebouwd om het beeld te eren.

We nuttigden ons middagmaal bij de Hase-dera tempel in een restaurant met uitzicht op de zee. Daar maakten we ook voor het eerst kennis met het systeem van maaltijdticketjes. Je stopt geld in een automaat, kiest welk gerecht je wil en neemt vervolgens het ticketje dat uit de automaat komt. Je neemt je ticketje mee aan tafel. De bediening komt aan tafel om water te brengen (gratis) en scheurt de ticketjes doormidden om je bestelling aan de kok mee te delen. Een efficiënt en tijdbesparend systeem, want de bediening weet dat je je keuze al op voorhand gemaakt hebt als je aan tafel zit en hoeft ook niet meer met wisselgeld en visakaarten bezig te zijn.

Na het middagmaal wandelden we langs de hoofdstraat van Kamakura naar het strand. Net als de vorige plaatsen die we in Kamakura bezochten, was de straat zo goed als uitgestorven, terwijl je duidelijk merkte dat alles hier erop ingesteld was grote horden toeristen op te vangen. Het was onduidelijk of de rust veroorzaakt werd doordat het een weekdag was of omdat effectief veel mensen hun bezoek uitgesteld hadden vanwege de problemen in Fukushima. Het strand stelde teleur: het witte zand lag vol met zeewier en het was duidelijk dat zonnekloppen niet tot de favoriete bezigheden van het Japanners behoorden.

We maakten rechtsomkeer en besloten een stukje te wandelen langs de Kuzuharaoka-Daibutsu Hiking Trail dat ons langs verschillende tempels en heiligdommen zou voeren. Omdat het ondertussen al wat later op de namiddag was en het in Japan rond zes uur donker is, was het niet mogelijk de ganse weg af te leggen. We waren net het overzichtsplan aan het begin van de route aan het bestuderen toen een onberispelijk opgemaakte Japanse ons in vloeiend Engels aansprak met de vraag of we hulp nodig hadden. We kregen van haar echt nuttige tips over de te volgen route en de tempels die de moeite waard waren.

Blijgezind vatten we de tocht aan. Het pad voerde ons langs steile bospaadjes de heuvel op. We genoten van de prachtige bossen met loof- en dennenbomen en letten extra goed op niet te struikelen over een dikke boomwortel. Omdat het al wat later werd, beperkten we ons tot een bezoek aan de Zeniarai Benten Shrine. Ook hier waren we bijna de enige bezoekers. Wat dit Shrine zo bijzonder maakt, is dat je er je geld kan wassen in het heilige water van de bron. Dit zou tot gevolg hebben dat het gewassen geld zich verdubbelt. Op welke termijn deze verdubbeling zou plaatsvinden, werd echter in het midden gelaten.

We wasten een mandje geld en verlieten de trail omdat de avond nu echt begon te vallen. Aan het station van Kamakura kochten we aan een kraampje zachte visjes van deeg gevuld met een soort vloeibare pudding in allerlei smaakjes. Als iemand een idee heeft hoe deze specialiteit heet, geeft een gil.

Terug in Tokyo sloeg de vermoeidheid toe. We beperkten ons voor het avondmaal tot panini’s in een Italiaans restaurant in de buurt van het station en gingen vervolgens linea recta naar ons hotel. Of dat was althans te bedoeling, want bij het het naar buiten gaan bij het laatste station vergisten we ons van straat, waardoor we een paar blokken verkeerd liepen. Verloren lopen in Tokyo is echt geen goed idee. De straten lijken erg op mekaar en je vindt er bijna nergens straatnamen, laat staat huisnummers. Het systeem om adressen aan te duiden is behoorlijk ingewikkeld. Gelukkig bracht ons richtingsgevoel ons snel op de juiste weg en vonden we wat later toch ons hotel terug.

Dinsdag 12 april: Tokyo

Onze eerste volledige dag in Tokyo startte met een tweede naschok, iets minder heftig dan de eerste. Ik ontbeet met misosoep en onigiri, breakfast of champions! Vervolgens trokken we richting metro, want gisteren hadden we al ervaren dat de afstanden in Tokyo toch net iets groter waren dan die in Leuven. We kochten een Suica-kaart, de Japanse versie van de Oysterkaart, Heel erg praktisch, want deze prepaid kaart kan ook nog voor andere zaken dan enkel openbaar vervoer gebruikt worden en je kan er op eender welk moment extra geld op zetten.

Op de metro kwamen we een mevrouw tegen die duidelijk graag een praatje wou slaan. Eerst vroeg ze aan me of ik ok was en toen bood ze me een gezichtsmasker aan. Dit allemaal in erg gebroken Engels. Ik begon al te denken dat ik er behoorlijk ziekelijk uitzag, maar ze wilde ons, buitenlandse toeristen, graag op weg helpen en vooral bedanken omdat we, ondanks de aardbeving en de problemen in de kerncentrale van Fukushima, toch naar Japan gekomen waren.

De metro bracht ons naar Ueno Park, alwaar we ons te buiten gingen aan hanami (cherry blosom viewing). Ondanks de oproep om dit niet te doen (omwille van de verwoestingen van de aardbeving en tsunami), hadden veel Japanners toch een plekje gezocht onder een bloeiende kerselaar om daar samen met vrienden en familie iets te eten. We wandelden op ons gemak rond een vijver met hongerige koi’s en schildpadden. De vijver was omzoomd met kerselaars en we sloten ons aan bij de kersenbloesem fotograferende horde Japanners.

In het park bezochten we het Gojo shrine, de Kiyo-mizu Hall, de tombe van de Shogi Tai, de Rinno-ji Tempel en het Saigo Takamori standbeeld. Het Tosho-gu Shrine was wegens restauratiewerken helaas niet te bezoeken, maar we konden wel een wandeling maken in de aangrenzende tuin. We waren nog net iets te vroeg, want veel bloemen stonden nog in de knop, maar over een week of twee moet die tuin ongetwijfeld één bonte verzameling bloemen zijn.

Als middagmaal aten we op een houten bankje in het zonnetje yakitori met kip en inktvis die we kochten aan een kraampje. Over het weer hebben we hier alleszins niet te klagen, want de zon doet flink haar best en het is warm genoeg om in een t-shirt rond te lopen.

Tijdens onze wandeling werden we tegengehouden door een Japanner die met alle geweld van de wereld een foto van ons vieren wou maken. Met ons eigen toestel wel te verstaan. Mijn vertrouwen in de Japanners mag dan wel hersteld zijn, maar eerdere nare ervaringen indachtig, stond ik toch klaar om hem te tackelen als hij met ons nieuwe fototoestel aan de haal zou gaan. Maar zorgen om niets, hij trok een mislukte foto en deed daarna een babbeltje met ons. Waar we vandaan kwamen. Wat we al gezien hadden, enzovoort. De gesprekken die we tot nu toe hadden, waren telkens een rare mix van Engels en Japans, maar het lukte wel om ons verstaanbaar te maken en dat is het voornaamste. Het eerste wat de mensen hier trouwens zeggen als ze horen dat je van België komt, is: chocolate! Onze chocoladeproducenten zullen het graag horen.

We hadden langer in Ueno Park doorgebracht dan verwacht, maar wilden toch nog graag een blik werpen op de tuinen bij het keizerlijk paleis. We waren er iets voor sluitingstijd en wandelden langs de ruime grasvelden omzoomd door bomen, met inbegrip van de alomtegenwoordige kerselaars. We zagen de massieve, gedeeltelijk heropgebouwde muren van Edo Honmaru en liepen onder de Oteman poort door, de vroegere toegang tot het keizerlijke paleis. De keizer woont trouwens nog steeds in deze gebouwen, maar de parken zijn opengesteld voor het publiek. En toen was het al sluitingstijd. De parken en grote bezienswaardigheden sluiten in Japan rond een uur of vier, vijf uur ten laatste. Veel te vroeg, vind ik persoonlijk.

Terwijl we op zoek waren naar de beroemde stenen Nijubashi brug, liepen we twee enthousiaste Japanse meisjes tegen het lijf, die vanzelfsprekend graag een babbeltje deden met ons, buitenlanders. De Japanners lijken collectief dolblij dat er, ondanks alle negatieve berichtgeving, toch nog toeristen naar hun land komen en degenen die wat Engels kunnen, nemen graag de gelegenheid te baat om enkele woorden te wisselen met ons. Verder blijkt mijn haarkleur hier een groot succes te zijn, want ik word geregeld aangestaard op straat en in de metro. Ofwel ligt het aan mijn on-Japanse outfits, dat kan natuurlijk ook. 😉

We sloten de dag af met een bezoekje aan het Tokyo International Forum, een zeer bijzonder modern gebouw ontworpen door architect Rafael Viñoly. Het glazen atrium is bijzonder indrukwekkend. Het plafond gelijkt op de kiel van een schip, maar dan volledig in staal en er zijn loopbruggen in glas en staal die de verschillende onderdelen van het gebouw met elkaar verbinden. Heel erg mooi.

We besloten ons avondmaal in één van de eetgelegenheden in het Tokyo International Forum te nuttigen. Restaurant Takara beloofde ons traditionele Japanse kost en stelde niet teleur. We aten voor de eerste keer in ons leven sukiyaki: een traditioneel gerecht waarbij vlees en groenten in een grote pan met bouillon aan tafel aan de kook gebracht worden. Terwijl je wacht, wordt je eten gaar. We hadden een supervriendelijke serveerster die ons graag voordeed hoe dit traditionele gerecht te eten. Je vist een stukje vlees of groente uit de pan en dopt die vervolgens in een kommetje met rauw ei. Heel lekker.

Onze serveerster stelde ons, terwijl we aan het eten waren, een ander traditioneel Japans gerecht voor. Uiteraard wilden we dit graag proeven. Het was een soort dikke, zoete omelet die best lekker smaakte. Toen we alle groenten en vlees uit de pan gevist hadden, raadde de serveerster ons aan om udon noedels in de overgebleven bouillon te laten koken. Een verduiveld lekker idee.

Voldaan vatten we de terugweg naar ons hotel aan.

Maandag 11 april: Tokyo

We geraakten vlot in ons hotel. De bediende aan de hotelbalie kon vrij goed Engels en maakte ons snel duidelijk dat het absoluut onmogelijk was om vroeger dan 15.00u in te checken. Stipte jongens, die Japanners. We lieten onze valiezen onder de goede zorgen van het hotelpersoneel achter en gingen op zoek naar iets om te eten.

Vooraleer onze magen te vullen, wilden we ons wat Japanse yens aanschaffen. We stapten de eerste de beste bank binnen, maar daar werden we heel snel doorverwezen naar een postkantoor dat vlakbij zou zijn, maar dat we uiteraard niet vonden. Gelukkig had mijn broertje in België al wat euro’s in yens gewisseld, want de honger begon te knagen. We stapten een udon noedelrestaurant binnen en kozen op het gezicht een gerecht van de kaart. Het was echt heerlijk. We kregen een grote kom dampende bouillon met daarin zeevruchten en dikke rijstnoedels. Jammer genoeg lag de maag van de vriendin van mijn broertje overhoop door de lange reis en het gebrek aan slaap en smaakte het haar niet.

Na de maaltijd rekenden we af met de yens van mijn broertje en keerden we terug naar het hotel om te vragen waar we ergens aan Japanse yens konden geraken. Bleek er een ATM-machine te staan in de 7/11 vlak onder ons hotel. D’oh. Een paar tienduizend yens rijker (en wat euro’s armer) vertrokken we op onze eerste echte verkenningstocht in Tokyo.

En de clichés werden bevestigd: plastic voedsel in de uitstalramen, in het pak gestoken rokende Japanners in een parkje, drankautomaten in bijna alle straten met exotische drankjes met veel cafeïne. De vermoeidheid begon toe te slaan, maar we hielden dapper vol, want we wilden zo snel mogelijk in het juiste ritme geraken.

We trokken richting Akihabara, omdat dit walhalla van de manga- en anime-industrie op de must see lijst stond van mijn broertje. Onderweg viel mijn oog op een kraampje waar ze mochi gevuld met ijs verkochten. Daar kon ik niet zomaar aan voorbij stappen, natuurlijk. En ja, het was heel lekker.

Een honderdtal meten verder kwamen aan bij de eerste winkels van Akihabara. En toen bleek opeens onze reisgids vermist. En aangezien ik de laatste was die hem had vastgehad, keek iedereen natuurlijk met een beschuldigende blik mijn richting uit. De enige plaats waar ik hem had kunnen laten liggen, was bij de mochi-kraam. Ik was er vrij gerust in dat we hem zouden terugvinden, want Japanners staan bekend om hun eerlijkheid.

Helaas bij de mochi-kraam was niets te vinden. In ons beste Japans uitgelegd dat we op zoek waren naar een Engelstalige gids van Tokyo, maar het meisje aan de kraam begreep er niet veel van of ze deed alsof ze het niet begreep. Onze eerste dag in Tokyo en al meteen een gids armer, dat viel tegen. Al bleef zo de traditie in ere gehouden dat ik elke vakantie minstens één maal ergens een reisgids moet laten liggen. Mijn geloof in de legendarische eerlijkheid van de Japanners begon te wankelen.

Inwendig vloekend liep ik nog een stuk van de weg die we hadden afgelegd terug, maar ik was honderd procent zeker dat ik de gids aan de kraam had laten liggen. En toen viel het oog van iemand in ons gezelschap op het lost and found kantoortje van het treinstation waar we vlakbij waren. Ik had er geen goed oog in, maar wie niet waagt niet wint. Naar binnen om heel de uitleg nogmaals in het Japans te doen. Hier werd ik beter begrepen, want uit het telefoontje dat de bediende deed, kon ik afleiden dat hij vroeg of er een Engelstalige gids gevonden was, helaas voor mij was het antwoord negatief. De bediende ging vervolgens kijken in het lokaaltje achteraan en, jawel, tot mijn grote vreugde haalde hij onze gids boven. Al bij al zijn we slechts een half uur gidsloos geweest. Mijn vertrouwen in de Japanners was weer helemaal hersteld.

We slenterden vervolgens verder rond in Akihabara. Mijn broertje vond de manga- en anime-winkel die hij zocht en iedereen was nog steeds moe maar wel tevreden. We besloten de dag niet meer te lang te rekken, want ondertussen was het flink beginnen regenen. We kochten ergens een witte wegwerpparaplu en verorberden ons avondmaal bij een keten die gebak verkocht en de Westerse naam Vie de France droeg. Ik nam een cheesecake (lekker op elk continent) en een warme appelsap, terwijl mijn reisgenoten een vettige pizza oppeuzelden.

We waren ongeveer halverwege onze maaltijd toen we het gevoel kregen dat iemand van ons tegen de tafel aan het sjotten was. Toen het gevoel echter bleef aanhouden en overging in de gewaarwording dat we op een bootje zaten, beseften we dat we onze eerste naschok meemaakten. De lusters in het restaurant zwierden heen en weer en alle aanwezigen hielden op met eten, afwachtend of het zou verergeren of niet, wat gelukkig niet het geval was. Heel speciaal om mee maken.

In het hotel aangekomen hadden we nog net genoeg energie over om onze schoenen, kleren en lenzen uit te doen en uitgeteld op bed neer te vallen in het piepkleine maar ontzettend propere kamertje waar twee katoenen kamerjassen en huisslippers op ons lagen te wachten.

Zondag 10 april: Leuven – Brussels National Airport – Heathrow – Narita

Opstaan om 4 uur, niet bepaald mijn favoriete bezigheid. Maar een mens moet er iets voor over hebben om het land van de rijzende zon te bezoeken. We stegen op om 7.25 in Zaventem en landden tien minuten later om 7.35 in Heathrow (dankzij een uur tijdsverschil). En dan begon het wachten. Zes uur lang de tijd doden op een luchthaven, terwijl het free wifi waarmee overal trots werd uitgepakt, voor geen meter werkte. We geraakten zelfs niet voorbij het loginscherm. Frustrerend. Awoert Boingo.

Ons middagmaal nuttigden we in een Wagamama restaurant op Heathrow, kwestie van meteen al in Oosterse sferen te komen. We slenterden wat langs de veel te dure boetieks en telden de uren af tot we aan boord mochten gaan van de 777 die ons naar Tokyo zou brengen.

De vlucht zelf verliep bijzonder vlotjes. Uiteraard lukte het ons, ondanks onze vermoeidheid, niet de slaap te vatten in die oncomfortabele vliegtuigzetels. Om de tijd te doden keek ik twee films: The tourist en Love and other drugs. Geen van beide films wist me echt te boeien. Het verhaaltje van The tourist is flauw en in tegenstelling tot wat je zou denken, spatten de vonken tussen de hoofdrolspelers niet van het scherm, maar kom, Angelina Jolie en Johny Depp zijn altijd mooi om naar te kijken en dan heb ik het nog niet eens gehad over de glansrol van Venetië. Misschien een volgende reisbestemming? Love and other drugs was een standaard romantische komedie met een voorspelbaar einde. Gelukkig zaten er genoeg seksscènes in om het geheel wat te kruiden.

Tijdens de vlucht kregen we de kans om een eerste gesprek in het Japans te voeren over tempels en sushi. Het was basic (sushi is lekker en tempels zijn mooi), maar kom, het is een begin en de Japans mevrouw vond het duidelijk geweldig om met toeristen te babbelen. Ik kreeg zelfs complimenten van mijn buurvrouw over het feit dat ik mijn middagmaal met stokjes nuttigde. Ja, want dat verwachten ze natuurlijk niet van onhandige buitenlanders.

We geraakten zonder problemen door al de controles op Narita, al moesten we daar wel onze vingerafdrukken en een foto van ons bleek gezicht met wallen voor achterlaten. We hadden iets te veel tijd genomen om ons op te frissen in de toiletten, want tegen dat we klaar waren, was de aankomhal volledig verlaten en werden we nauwlettend in het oog gehouden door een bende geüniformeerde Japanners die onze documenten vervolgens opnieuw aan een grondige inspectie onderworpen.

We wisselden de vouchers van onze Japan Railpass in en kochten meteen ook een Suica-kaart (de Japanse versie van de Oysterkaart) om van het vliegveld naar ons hotel te gaan. De Japan Railpass zullen we pas over een week echt nodig hebben. We waren doodop, maar de eerste aanblik van sakura (kersenbloesems) gaf ons even een energiestoot. Anderhalf uur treinen later zouden we in ons hotel zijn.