Zondag 24 april: Himeji

Een ontbijt op z’n Japans: met rijst en heel veel dingetjes waarvan ik niet goed wist wat ze waren. Altijd interessant, voedselexperimenten. Al vielen de gedroogde zure pruimen een beetje tegen. 😉

Belangrijkste item op het programma: het kasteel Himeji-jo. Jammer genoeg staat het kasteel nog tot 2015 in de steigers. En als in Japans een monument in de steigers gezet wordt, dan pakt men dit meteen grondig aan: rond heel het kasteel is een gigantische stellage opgetrokken waarvan de fundamenten in beton gegoten zijn. Het hele kasteel werd vervolgens aan het zicht onttrokken door grote platen waarop, als troost, een tekening van het kasteel is aangebracht. In de extra constructie rond het kasteel is een lift voor bezoekers, zodat de vele toeristen een glimp kunnen opvangen van het restauratiewerk én natuurlijk om te vermijden dat de toeristenstroom naar Himeji opdroogt doordat het kasteel volledig aan het zicht onttrokken is.

Himeji-jo is het grootste van de twaalf overgebleven feodale kastelen van Japan. Voor Japanners is Himeji-jo het ultieme samoeraikasteel. In 1333 werd op deze locatie het eerste fort gebouwd. In de loop der eeuwen werd het kasteel voortdurend aangepast en uitgebreid. De beroemde donjon met de vijf verdiepingen werd in 1609 voltooid. Als bij mirakel overleefde het kasteel tijdens WOII de bombardementen van de Amerikanen op Himeji. Terwijl de stad in puin lag, bleef het kasteel gespaard. In 1956 vond de laatste grondige restauratie plaats. Himeji-jo is met meer dan 820.000 bezoekers per jaar het drukst bezochte kasteel in Japan. Al viel daar tijdens ons bezoek niet veel van te merken.

Toen we bij de ingang aankwamen, voelden we de eerste regendruppels vallen. Al een geluk dat we nog naar het hotel waren teruggekeerd om onze paraplu’s die we in een optimistische bui bij onze koffers achergelaten hadden, op te halen. Aan de ingang stond een bende enthousiaste verklede Japanners ons op te wachten. Na ons een stuk of tien keer bedankt te hebben dat we gekomen waren, wilde ze per sé met ons op de foto terwijl de donder en de felle windstoten verrieden dat er een flink onweer op komst was.

Het was een teleurstelling dat we de buitenkant van het kasteel niet konden zien, maar we hebben ons het bezoek aan Himeji-jo zeker niet beklaagd. De uitleg over het restauratieproces was heel boeiend en vanaf de constructie rond het kasteel hadden we een mooi uitzicht over Himeji.

Eén van de belangrijke ingrepen van de restauratie is het volledig vervangen van het dak. Mensen die niet geïnteresseerd zijn in bouwtechnieken, mogen de twee volgende paragrafen gerust overslaan. De nieuwe dakpannen die gebruikt zullen worden, zijn 18 mm dik. Ter vergelijking: de oude dakpannen waren 21 tot 24 mm dik. Hierdoor wegen de nieuwe dakpannen 0,75 kg minder dan de vroegere dakpannen die elk meer dan 3,75 kg wogen. Dit maakt dat het totale gewicht van al de dakpannen op het dak verminderd zal worden met meer dan 56 ton. De nieuwe dakpannen zullen twee tot drie uur gebakken worden aan een temperatuur van 1150 graden Celcius. Door deze hoge baktemperatuur krijgen de dakpannen eigenschappen die gelijkaardig zijn aan porselein: ze zijn waterbestendig en zullen niet barsten onder extreme temperaturen van minder dan -30 graden Celcius.

Het is ook interessant een beetje uit te wijden over de manier waarop een dak van zo’n kasteel eruit ziet. In het algemeen liggen er twee soorten pannen op het dak: rijen concave rechthoekige pannen worden afgewisseld met rijen half cirkelvormige pannen. Deze afwisseling levert een mooi visueel effect op. Om de nok van het dak af te dekken, gebruikt men meestal mooi gedecoreerde pannen. Op het einde van elke rij concave rechthoekige pannen en half cirkelvormige pannen wordt een decoratieve pan aangebracht die de onderkant van het dak afsluit. In Himeji-jo wordt dan nog eens een bijzondere manier gebruikt om het dak waterdicht te maken. Over de naden van de dakpannen wordt een soort witte mortel gesmeerd van een paar centimeter dik die zorgt voor de afsluiting. Zo krijg je op het dak dikke witte ribbels en die mooi afsteken tegen het donkergrijs van de pannen. Einde van de saaie uitleg over dakpannen.

We bezochten ook de binnenkant van Himeji-jo. Het was duidelijk dat de belangrijkste functie van dit kasteel het afslaan van vijandige aanvallen was. Er was ruim plaats voor wapens en overal waren schietgaten voorzien en grotere gaten om stenen, kokende olie en andere zaken op de vijand zijn kop te laten vallen. Uiteraard mochten we niet binnen met onze schoenen. Al een geluk dat we in ruil voor onze schoenen sloefjes kregen, want anders waren mijn tenen er zeker afgevroren. Het valt op dat men in Japan veel aan jobcreatie doet. Zo is er één iemand die zich bezig houdt met het uitdelen van de sloefjes, een andere met het uitdelen van de plastieken zakjes waarin je je schoenen moet meenemen, een derde neemt de gebruikte plastieken zakjes in ontvangst, een vierde de gebruikte sloefjes en een vijfde persoon houdt toezicht op dit alles.

Volgende onderdeel van het kasteel: de Hyakken gang die vroeger deel uitmaakte van de Tenjuin Maru residentie. Dit lange smalle gebouw (300 meter lang) werd gebouwd in 1618 voor prinses Sen en haar hofdames. In het gebouw dat bestaat uit één lange gang en een opeenvolging van kamers achter mekaar, werd het tragische levensverhaal van prinses Sen verteld. De prinses verloor haar eerste echtgenoot uit een verstandshuwelijk in een gevecht tussen rivaliserende samoerai, hertrouwde uit liefde tegen de wil van haar vader in, maar werd door het noodlot achtervolgd: ze verloor haar zoon en haar man vlak achter mekaar.

Na ons bezoek aan Himeji-jo gingen we op zoek naar iets om onze honger te stillen. Onderweg stootten we op enkele (schijn-) vechtende samoerai, die erop stonden (we hadden niets anders verwacht) om samen met ons op de foto te gaan. Ze waren zelfs speciaal vergezeld van een extra, niet verklede persoon die met de fototoestellen van de toeristen foto’s nam. Neen zeggen, was geen optie.

Ons middagmaal aten we in een toeristisch restaurant tegenover Himeji-jo. Toch was de kwaliteit van het eten meer dan behoorlijk. Als appetizer kregen we gedroogde bonen in suiker. Best wel een hartige snack. Ik at een plaatselijke specialiteit: een schotel met Anago paling uit de zee bij Himeji. Heel erg lekker. Na de maaltijd hadden mijn broer en zijn vriendin nog een plekje voor een ijsje. Aan een kraampje kochten ze een hoorntje met softijs dat je in Japan werkelijk op elke straathoek kan krijgen.

De wind stak opnieuw op en we voelden opnieuw dikke regendruppels vallen. We gingen vlakbij schuilen onder het afdak van de inkom van de Koko-en. En toen we daar dan toch waren, kochten we ook maar meteen een toegangsticket. De Koko-en is een absolute must voor tuinliefhebbers. De elegante compositie van negen tuinen in Edostijl werd in 1992 aangelegd op de plaats van oude samoeraihuizen.

We hadden geluk dat de regenbui was overgetrokken terwijl mijn broer en zijn vriendin de laatste lik van hun ijsje namen en we konden genieten van een aarzelend zonnetje tijdens onze wandeling. De tuin is echt magnifiek met een mooie vijver, bijhorende waterval en dikke kois, lentegroene (en rode) bomen en in mooie vormen gesnoeide naaldbomen. Elk hoekje en kantje schreeuwde: fotografeer mij!

We bleven wat te lang talmen in het eerste stuk, zodat we de laatste tuinen (de bloementuin en de bamboetuin) op een drafje moesten zien, terwijl een bewaker ons gezelschap hield en ons snel snel begeleidde naar de uitgang. Maar hij was wel zo vriendelijk om ons de tijd te gunnen om een mooie foto te nemen van de reiger die neerstreek. Na de foto werd de reiger snel verjaagd. We zouden niet willen dat hij de vijver leeg vist, nietwaar? Alhoewel hij een serieuze kluif aan zo’n dikke koi gehad zou hebben. Spijtig dat de tuin al om vijf uur sloot, want ik had er gerust nog een uur of twee langer in kunnen rondwandelen.

Omdat na vijf uur in Himeji alle bezienswaardigheden dicht zijn en we pas om kwart voor acht onze zitjes in de trein naar Kurashiki gereserveerd hadden, namen we de tijd om nog even in de winkelgalerijen van Himeji rond te lopen. Die galerijen vormen parallelle overdekte verkeers- (op fietsers na) vrije straten die de huizenblokken in twee delen. Heel leuk om door te wandelen. Je kan perfect winkel na winkel aandoen zonder nat te worden.

We stopten voor een warme chocomelk en een hapje in het Café de Miki with Hello Kitty. Onze chocomelk was versierd met chocoladepoeder in de vorm van het gezichtje van Hello Kitty en mijn mochi leek ook verdacht veel op Hello Kitty. Het is duidelijk dat de Japanners dol zijn op dit getekende figuurtje.

Na deze pauze gingen we terug naar het hotel om onze koffers op te halen en trokken we richting station. Mijn gezelschap liet zich verleiden tot de aanschaf van een een McDonalds hamburger, terwijl ik sushi kocht met 30% afslag voor snelverkoop. Een ideale snack voor op de Shikansen naar Kurashiki.

We waren redelijk vroeg in Kurashiki, maar een drinkgelegenheid vonden we niet meteen, nochtans bevond ons hotel zich vlakbij het station. Daarom sloegen we een voorraadje umeshu, schuimwijn en wat knabbels in bij de 7 eleven, een keten die ons na deze rondreis door Japan beslist een getrouwheidskorting verschuldigd is.

We maakten het ons met z’n vieren gemakkelijk op de hotelkamer en dronken wat terwijl we onze internetverslaving voedden.

Zaterdag 23 april: Kyoto

Een absoluut dieptepunt op weerkundig gebied. Gietende regen vanaf de vroege ochtend. Ontbijten deden we ergens op een bankje in het winkelcentrum onder Kyoto Station. Ik at een soort warm, rond, zacht, wit brood gevuld met varkensgehakt. Geen flauw idee hoe het heet, maar het was wel lekker.

Om het gebruik van onze paraplu’s te beperken deden we alle grote verplaatsingen met de bussen, die gelukkig erg frequent rijden. We hebben tijdens ons verblijf in Kyoto geen enkele keer moeten wachten op een bus. Telkens zagen we de bus in de verte aan een halte stil houden en persten we er een klein sprintje uit om nog mee te kunnen. De buschauffeur was altijd zo vriendelijk om op ons te wachten.

Onze eerste stop van de dag was de Ginkaku-ji oftewel het Zilveren Paviljoen. Een beetje de tegenhanger van het Gouden Paviljoen dat we eerder bezochten, toen de zon nog scheen, maar dan zonder zilver. Het paviljoen zelf stelde niet zoveel voor, maar de tuin was een pareltje. Heel bijzonder waren de Ginshaden zandfiguren. In witte grove zandkorrels was er een afgeknotte kegel gemaakt die ongeveer even groot was als een mens. De kegel zou een voorstelling van de maan zijn.

Schuilend onder onze paraplu beklommen we de flanken van de natte heuvel om van daaruit een uitzicht op uitgeregend Kyoto te krijgen. Er was de mogelijkheid om een rondleiding te krijgen in het hoofdgebouw. Mijn broer en zijn vriendin wilden echter liever de tuin bekijken. Spijtig, want de rondleiding was een belevenis op zich.

Mijn vriend en ik waren de enige geïnteresseerden en we kregen met z’n tweeën een rondleiding van een gids die geen woord Engels kon. Met behulp van een geplastificeerde kaart met daarop uitleg in het Engels leidde ze ons door de verschillende vertrekken, telkens de plaats op de kaart aanwijzend waar de uitleg stond. Wanneer we een paar vragen stelden in ons beperkte Japans kregen we een ganse uitleg waarvan we geen woord snapten en als wij iets zeiden in het Nederlands of Engels knikte de gids heftig alsof ze er alles van begreep. We bewonderden de oude muurschilderingen en het vertrek waar Ashikaga Yoshimasa zijn bureau had. Het meest indruk maakte het vertrek dat enkele jaren geleden beschilderd werd door Okuda Genso en dat schitterende natuurtaferelen voorstelde.

Toen we na de rondleiding onze schoenen aan het aantrekken waren (alles dient hier op kousenvoeten bezocht te worden), werden we plots omsingeld door Japanse schoolkinderen die onder begeleiding van een leerkracht enkele opdrachten voor de Engelse les moesten maken. Ze vroegen ons in hun beste Engels (fonetisch afgelezen uit hun boekje) wat onze naam was en waar we vandaan kwamen. Ze begrepen geen woord van wat we antwoordden en ik heb hun boekje dan maar zelf ingevuld. En uiteraard moesten we daarna samen op de foto. Zelfs op het toilet kon ik er niet aan ontsnappen en werd ik aangesproken door giechelende Japanse schoolmeisjes met de vraag of ik mee op de foto wilde. Ik voelde me bijna een celebrity. 😉

En toen was het alweer tijd voor het middageten. En wat aten we in één van de restaurantjes die naar het Zilveren Paviljoen leidden? Jawel, alweer noedels! Zij het een lichtelijk andere versie dan gewoonlijk. Ik had groene theenoedels met gerookte haring. Erg lekker en helemaal niet duur.

Op de terugweg langs alle souvenirshops passeerden we nog een kraampje waar Leonardo Di Caprio ooit een waterijsje kocht. Ondanks dit schitterende verkoopsargument was er door het regenweer niet veel volk geïnteresseerd in een ijsje en denk ik niet dat het kraampje veel verkocht zal hebben. Wat verderop zagen we hoe de typische Kyoto mochi gemaakt werden: opgevouwen driehoekjes die verschillende smaakjes kunnen hebben (sakura, chocolade, kaneel, groene thee) met een vulling van (jaja) rode bonen. We kochten een paar pakjes van deze lokale specialiteit. De andere lokale specialiteit: gigantische augurken op een stokje lieten we toch maar links liggen.

Opnieuw de bus op naar de beroemde Kiyomizu-dera tempel die meer dan 1000 jaar oud is. We waren nog geen vijf minuten aan het rondkijken op het terrein van de tempel toen we aangesproken werden door een groepje universiteitsstudenten die Engels studeerden. Of ze ons alstublieft een rondleiding mochten geven. Het goot nog steeds en we keken elkaar even twijfelend aan, maar ach, waarom niet?

Dit tweede groepje studenten had ongeveer dezelfde dynamiek als het groepje dat ons rondleidde in Tokyo. Eén student voerde het hoge woord en dreunde een vooraf gememoriseerd lesje af, een andere student interesseerde zich duidelijk niet in de historische uitleg en informeerde naar onze relationship status en een derde verstond geen woord Engels. Dit alles in de gietende regen.

We kregen voor de zoveelste keer het reinigingsritueel uitgelegd, moesten een zware staaf optillen met één hand. 32 kilo woog de staaf voor de vrouwen, een fluitje van een cent voor mij, die Japanse vrouwen hebben duidelijk geen spierballen. De staaf voor mannen die meer dan 100 kilo woog, was andere koek. 😉

We lieten ons overhalen om de tempel te betreden. Op voorhand kregen we een erg onduidelijke uitleg over iets wat onze gids van het moment als O-O-M spelde. Het kostte heel wat moeite voordat we door hadden dat hij het over een “womb” had. 😉 Mijn vriend en ik lieten onze schoenen alweer achter. Hoe vochtiger die dingen werden, hoe lastiger het aan- en uitdoen werd. We daalden een trap af om in een pikkedonker hol terecht te komen. Opeens snapte ik de vergelijking met een baarmoeder helemaal. Er was een touw met grote kralen gespannen dat we dienden te volgen. In het duister drong zelfs geen straaltje licht door. Ik zag enkel zwart rondom mij. Tot op een gegeven moment de hand van onze gids opdook die op een zwak verlichte ronde steen rustte. We moesten aan de steen draaien en een wens doen. Ik heb als een gek gedraaid en gewenst dat de zon zou gaan schijnen, maar de goden waren mij niet gunstig gezind, want toen we uit de baarmoeder traden, regende het nog altijd even hard.

Ondanks de regen was het uitzicht vanaf het Kiyomizupodium toch de moeite. Blijkbaar bestond er vroeger de gewoonte om van dit podium af te springen. Waarom begreep ik niet heel goed. Feit is dat er een Japanse uitdrukking is die luidt “van het Kiyomizupodium springen”, wat zoveel betekent als “in het diepe springen”.

We konden ook nog van heilig water drinken dat ons ofwel een lang leven, ofwel intelligentie ofwel een goede levensgezel zou bezorgen, afhankelijk van welke waterstraal we dronken. Het was uitdrukkelijk verboden van alle drie te drinken, want dan zou je te gulzig zijn. Aangezien ik al twee van de drie bezat en niet echt geïnteresseerd was in een lang leven, lieten we het daarbij.

Een beetje doorweekt namen we afscheid van onze gidsen en besloten er door de regen vroeger dan voorzien de brui aan te geven. We namen de bus terug naar het station en deden daar door één of andere verkeersopstopping bijna een uur over. De eerste keer dat ik zoiets als files gezien heb in Japan.

In het voor ons ondertussen vertrouwde winkelcentrum van Kyoto Station aten we een stukje taart en dronken we een warme chocomelk om onze verkleumde botten op te warmen. We lieten het uitgeregende Kyoto achter en vertrokken naar Himeji.

Op de Shinkansen aten we sushi en mochi. Het hotel in Himeji vonden we dankzij de hulp van een goede Christen die net terug was van de mis op Stille Zaterdag. In het hotel in Himeji aangekomen, was onze pijp uit en kropen we op tijd in bed.

Vrijdag 22 april: Byodoin en Arashiyama

Vandaag zag het ernaar uit dat de zon ons in de steek zou laten. Voor het ontbijt splitsten we ons op in twee groepen. Mijn vriend en ik aten samen met M een Japans ontbijt en mijn broer en zijn vriendin gingen op zoek naar koffiekoeken en broodjes. Voor een paar honderd yen kan je in Japan ontbijten met warme rijst, zalm, opgelegde groenten en misosoep. M had een ontbijt met gefermenteerde bonen (natto) genomen. Nu sta ik open voor veel smaken, maar half rottende bonen die een zurige stank uitwasemen behoren toch niet tot mijn favoriete etenswaren. Het smaakte gelukkig minder vies dan het rook.

Na het ontbijt namen we de trein naar de Byodoin tempel in Uji. De Byodoin tempel is UNESCO werelderfgoed en de afbeelding ervan is terug te vinden op de Japanse muntstukken van 10 yen. De beroemde feniksen vind je terug op de biljetten van 10.000 yen. De tempel was origineel een landelijk gelegen villa die omgebouwd werd tot een Boeddhistische tempel. Het belangrijkste gebouw is de fenikshal waar een groot beeld van de Amida Boeddha staat. De tempel werd met de jaren uitgebreid en verfraaid. Heel bekend zijn de beelden van feniksen op het dak. Het hele complex moest een voorstelling zijn van de hemel van het “Reine Land” uit het Jodo Boeddhisme, een stroming van het Boeddhisme die er een beeld over het hiernamaals en het einde der tijden op nahield dat verrassend veel overeenstemming vertoont met het katholieke.

De Byodoin tempel werd samen met een dreigende grijze wolkenhemel prachtig weerkaatst in de ervoor liggende vijver. Ook hier kwamen we weer massa’s Japanse scholieren tegen. Het viel op dat de meisjes assertiever waren dan de jongens, want zij durfden het aan om aan die rare westerlingen te vragen of ze met hen op de foto wilden. En voor we het wisten stonden we aan de lopende band te poseren met Japanse schoolmeisjes. Vooral mijn broer was erg in trek, met zijn bijna twee meter boven die kleine meisjes uittorend. Hij moest ei zo na handtekeningen uitdelen.

Toen we ons eindelijk losgemaakt hadden van de kuddes schoolmeisjes, voelden we de eerste regendruppels vallen. We zochten beschutting in het kleine, maar mooi uitgewerkte museum bij de tempel. We bewonderden de prachtige verfijnde sculpturen die allemaal refereerden aan het “Reine Land”.

In Uji hielden we nog even halt voor een kleine snack. Mijn broertje en zijn vriendin aten groenethee-ijs en ik bestelde witte rijstballetjes in zoete warme rodebonensoep (het was echt lekkerder dan het klinkt). Mijn vriend probeerde een traditioneel bereide groene thee met dango uit.

Terug onderweg naar Kyoto maakten we een korte tussenstop in het Fushimiheiligdom, één van de vele heiligdommen voor Inari, de god van de rijst en sake. Belangrijkste reden voor onze tussenstop waren de fotogenieke torii die met duizenden in lange rijen achter mekaar stonden. Zelfs in de gietende regen was dit nog een prachtig gezicht. De torii werden geschonken door zakenlieden om de tempel te danken voor hun succes. Hoe groter de torii, hoe hoger het bedrag dat aan de tempel geschonken werd. De duurste torii kostte 10.000 euro. Ik twijfelde even, maar we hebben toch maar besloten geen schenking te doen, per slot van rekening heb ik al een dakpan bekostigd. 😉

In Kyoto station verorberden we een snelle lunch, want ondertussen was het al twee uur gepasseerd. Ik moet zeggen dat het reuze handig was om M bij ons te hebben. Het bestellen van eten en drinken ging zoveel makkelijker. De paniek in de ogen van de serveersters was een pak minder en we konden wat uitleg bij de menu vragen indien nodig. Ik at (alweer) udon noedels met zeewier en gefrituurde tempura.

Omdat we onze pralines nog steeds niet aan M hadden afgegeven, ging mijn vriend snel over en weer naar ons hotel dat vlakbij het station lag. We wisten niet zeker of we vanavond nog genoeg tijd hadden om dit te doen, want M moest haar trein halen en we wilden niet het risico lopen dat we die pralines helemaal voor niks uit België hadden meegesleurd. M was er heel blij mee of ze deed alsof. 😉 Typisch voor Japanners is dat ze nooit een geschenk openmaken. Ze aanvaarden het, bewonderen de verpakking (vandaar het belang van een mooie verpakking) en danken de schenker. Heel anders dan bij ons.

Op aanraden van de enthousiaste restauranteigenaar van gisteren, deden we in de namiddag een uitstapje naar Arashiyama alwaar we de behoorlijk toeristische Sagano Romantic Train namen. Door het slechte weer was het niet bepaald druk in het stationnetje waar we opstapten. We hadden plaats zat in de open voorste wagon. Ik ritste mijn jas helemaal dicht, want wanneer de trein snelheid maakte, was het behoorlijk frisjes. De rit had een hoop prachtige uitzichten op de vallei van de Ōi rivier voor ons in petto. Al vond ik dat de trein wel iets trager mocht rijden. Na een twintig minuutjes zat de rit er alweer op.

We stapten uit aan Torokko station en maakten een wandeling door het prachtige bamboebos. Nog nooit heb ik zo’n hoge bamboe gezien. Heel bijzonder. Midden in het bamboebos stootte we op het Nonomiya-jinja heiligdom waar de tijd leek te hebben stilgestaan. Spijtig dat het weer het wat liet afweten, want op een stralende lentedag als de sakura volop in bloei staan, moet het hier magnifiek zijn.

Na de wandeling door het bamboebos namen we nog enkele foto’s van de bekende Togetsukyo Brug en keerden we terug naar het JR station. Onderweg zagen we een winkeltje waar we konden zien hoe ze yuba maakten. M kocht er een pakje yuba voor haar moeder.

Terug in Kyoto was het bijna tijd om afscheid van M te nemen. We aten nog een laatste avondmaal samen (Italiaans, niet de moeite om er veel woorden aan vuil te maken, buiten het feit dat ik er mijn eerste glaasje schuimwijn in weken dronken en dat het geweldig goed smaakte).

We namen afscheid van M en bedankten haar voor de goede zorgen. Japan doorkruisen in het gezelschap van iemand die vloeiend Japans spreekt, het is zoveel makkelijker. Voor iemand die totaal geen Japans spreekt moet het soms echt niet eenvoudig zijn om in een land te reizen waar je niets, maar dan ook niets kunt lezen en verstaan en waar de kennis van het Engels zo beperkt is. Gelukkig is iedereen hier heel geduldig, vriendelijk en behulpzaam.

We dronken ‘s avonds nog een umeshu en een sake in het hotel terwijl we aan de lopende band kaartjes voor het thuisfront schreven. Kwestie van iedereen gerust te stellen dat we voorlopig nog geen stralingsbesmetting hebben opgelopen.

Donderdag 21 april: Nara

Ontbeten met onigiri die ik kocht aan één van de kraampjes in het station van Kyoto. Van ons gezelschap was ik de enige die vandaag Japans ontbeet. De rest zag meer heil in het nuttigen van koffiekoeken (met een Japans tintje, uiteraard, groene thee en rode bonen worden hier ongeveer in alles verwerkt).

Vandaag was een heel bijzondere dag. We hadden afgesproken met het Japanse meisje dat we vorig jaar in Leuven leerden kennen. We zijn altijd via Facebook contact blijven houden en ik heb haar wat raad gevraagd toen we aan het twijfelen waren of we al dan niet onze reis zouden annuleren. Oorspronkelijk wilden we een grotere reis maken en zouden we ook haar eiland aandoen, maar tijdsgebrek deed ons besluiten enkel het hoofdeiland Honshu aan te doen. Ik stuurden haar ons reisschema door en vroeg of er toch een mogelijkheid was om elkaar te zien. En een drietal dagen geleden kreeg ik uitsluitsel. Ze zou de shinkansen naar Kyoto nemen en een nacht in ons hotel blijven overnachten.

Ik was wel wat nerveus, want we hadden mekaar maar één keer gezien en ik was niet meer zeker of ik haar wel zou herkennen, maar ze stelde ons gerust, zij zou ons wel vinden. Wat inderdaad niet zo moeilijk kan geweest zijn: vier westerlingen waarvan er één met lichtblond haar en een ander van bijna twee meter met lang krulhaar. We vallen hier nogal op, dat is een feit.

We spraken af op het perron van de trein naar Nara. Zij was al van vijf uur ‘s ochtends onderweg om op tijd in Kyoto station te zijn. Geweldig dat ze dat overhad om met ons mee op stap te gaan. En kijk, we hadden net ons ontbijt achter de kiezen of daar verscheen M. Ik herkende haar meteen: ze was net even vlot en sociaal als ik me herinnerde. Waren wij blij dat we een cadeautje voor haar meegenomen hadden uit het verre België: een doos Neuhaus pralines gekocht in een tax free shop in de luchthaven. Die pralines zijn onze ganse trip tot in Kyoto altijd mooi in hun tax free zakje blijven zitten, omdat ik ze niet durfde in de koffers steken. Ik geef niet graag geplette pralines af. Al moet ik zeggen dat de verleiding onderweg groot was om het pakje te openen, ze geraakten heelhuids in Kyoto. 😉

Na een aangename treinrit die we druk babbelend doorbrachten, kwamen we aan in het zonnige Nara. Nara was 74 jaar lang de hoofdstad van Japan en groeide in die tijd uit tot één van de mooiste steden van Azië. Veel van de oude gebouwen hebben de tand des tijds doorstaan. Beboste heuvels, schitterende tuinen, eeuwenoude houten gebouwen, Nara heeft het allemaal.

Op weg naar Nara Park, maakten we een korte tussenstop om dango te proeven. Een soort warme balletjes van rijstdeeg op een stokje. Dango zijn erg populair in Japan en worden aan kraampjes verkocht als snack voor tussendoor. Ik proefde de warme dango met een sojasausje. Het smaakte ok, maar een echte fan zal ik nooit worden, daarvoor vond ik de balletjes te taai en te deegachtig.

Nara Park is trouwens niet enkel bekend om de prachtige tempels. Niet voor niets is de mascotte van Nara een ventje met een hertengewei. We zetten nog maar een voet in het park en we maakten al kennis met de meest beroemde inwoners van Nara: de hertjes die werkelijk overal rondlopen en zonder aarzelen gewoon de straat oversteken. De herten zijn ongelooflijk brutaal. Ze zijn het gewoon dat mensen hen koekjes voederen en zullen dus ook niet aarzelen om je eten uit je handen te trekken als ze de kans schoon zien.

Nara Park is niet alleen een relict uit het verleden, de tempels worden nog druk bezocht door gelovigen en men was er zelfs bezig aan de bouw van een gloednieuwe tempel. Vreemd voor een land waarin de meerderheid van de inwoners beweert niet godsdienstig te zijn. Maar ze buigen wel allemaal als ze voor een tempel of heiligdom staan en voeren de rituele handelingen uit die bij zo’n bezoek vereist zijn.

Voor de lunch kochten M, mijn vriend en ik sushi aan een kraampje. “Famous sushi”, zei M, dus dat moesten we zeker proberen. Mijn broertje wilde zich nog steeds niet aan sushi wagen, dus hij en zijn vriendin kochten wat Japanse koeken in gekke vormen zoals een zeehondje of een konijn. We aten ons middagmaal in de stralende zon op een bankje voor een overheidsgebouw. De sushi die we aten was zorgvuldig in bladeren gewikkeld. Deze bladeren zorgen ervoor dat hij langer vers blijft én geven een bijzonder smaakje aan de sushi. Ik moet zeggen dat het alleszins erg smaakte en dat de sushi helemaal niet vergelijkbaar was met de sushi die ik al eerder at.

Het meest indruk maakte het tempelcomplex van de Todai-ji met zijn Daibutsuden (Grote Boeddhazaal). Het complex werd voltooid in 752. Om het grote Boeddha beeld van 16,5 meter hoog (de grootste ter wereld) te gieten werden honderden tonnen gesmolten brons, kwik en plantaardige was gebruikt. Het beeld is origineel, alleen het hoofd dateert uit 1692.

Nara was duidelijk een populaire bestemming voor schooluitstapjes, want we struikelden zowat over de Japanse schoolkinderen die allemaal graag “Herro!” naar de buitenlandse toeristen riepen. Grappig was het gat in een houten balk dat zich achteraan de tempel bevond en dat dezelfde grootte als het neusgat van Boeddha zou hebben. M vertelde ons dat wie door het gat kroop, wijs zou worden. We zagen dus hordes schoolkinderen door het gat kruipen. Zelf heb ik me er niet aan gewaagd. Het leek me wijs deze uitdaging aan mij voorbij te laten gaan, denk niet dat ik nog door dat gat zou geraken.

In de tempel was er de mogelijkheid om een stukje van de restauratie te financieren door een dakpan te kopen en daarop je naam en een wens te schrijven. Deze gelegenheid kon ik niet aan mij voorbij laten gaan. Binnenkort prijkt er op een Japans tempel een dakpan met mijn naam erop. Al heb ik er zo mijn twijfels bij of de verf wel waterresistent was.

Mijn vriend kon het niet laten en kocht na het tempelbezoek een zakje met koekjes voor de herten. In geen tijd was hij omringd door een ganse meute herten die niet bepaald zachtzinnig om koekjes kwamen bedelen. Hij hield er een grote blauwe plek aan over. Eén van de mensen die werkten in het park maakte er ons attent op dat de takken van de bomen allemaal tot op dezelfde hoogte boven de grond kwamen. Dit kwam doordat de herten alle takken opaten waar ze bij konden.

We zagen ook een hele oude houten opslagplaats die volgens een speciale techniek gebouwd was. Het deed denken aan de manier waarop blokhutten gebouwd worden, maar dan met driehoekige boomstammen in plaats van ronde. Heel vernuftig.

Nara is echt een wonderbaarlijke plaats. Alles is er mooi en fotogeniek. Je kijkt er je ogen uit. Zo maakte bijvoorbeeld de Nigatsu-do indruk met zijn betoverend uitzicht en het Kasuga-heiligdom met de prachtige lantaarns. Heel begrijpelijk dat dit als een heilige plek werd aanzien.

De avond viel te snel. We lieten Nara Park achter ons en keerden weer naar het station van Nara. Onderweg kwamen we voorbij een teppanyaki restaurant en omdat zowel mijn broertje als zijn vriendin deze Japanse manier van eten bereiden erg lekker vonden, besloten we dit te proberen. Het concept bleek hier lichtelijk anders te zijn. We zaten met z’n vijven rond een bakplaat waarop de reeds klaargemaakte gerechten werden gelegd zodat ze warm bleven en nog een klein beetje konden verder sudderen. Show cooking was er niet bij, maar iedereen was het erover eens dat het heerlijk was.

Een treinrit later waren we opnieuw in Kyoto. Mijn broer en zijn vriendin wilden na deze vermoeiende dag liefst gewoon naar het hotel terugkeren, terwijl mijn vriend en ik met M Kyoto introkken voor een drankje. M voerde ons naar een klein, groezelig restaurantje waar er enkel plaats was voor klanten aan de bar. Een ideale eetgelegenheid voor salary men. We zochten een plekje aan de toog en bestelden er saké. Op de toog stond een grote ijzeren pot te pruttelen met daarin een dik bruin vocht en allerlei ondefinieerbare ingrediënten. M verzekerde ons dat dit “famous soup” was en bestelde een bordje voor ons drie.

Mijn vriend en ik stonden wat weigerachtig ten opzichte van de inhoud van dat bord, zeker toen we vernamen dat die soep weken op dat vuur bleef staan terwijl er gewoon ingrediënten aan toegevoegd werden, maar we proefden er toch van. Het was te eten, maar ik was niet wild enthousiast en ik moet toegeven dat ik mezelf al de volgende dag met diarree op het toilet zag zitten.

M raakte in een enthousiast gesprek verwikkeld met de uitbater die het geweldig vond dat er buitenlanders zijn bar bezochten. Hij gaf ons allerlei reistips voor de omgeving van Kyoto waar we niks van snapten. En ter afscheid kregen we een heel bijzondere kaart mee waarop de namen van alle sumo-kampioenen stonden. Dit was een grote eer, want “not many people can have this” en er hing zelf een likje van de “famous soup” aan.

Doodop gingen we slapen na wat één van de beste dagen van deze vakantie toe nu toe was.

Woensdag 20 april: Kyoto

Helaas waren de weervoorspellingen niet aan onze kant. Negen graden is niet bepaald wat ik een aangenaam lenteweertje noem. Voor de eerste keer deze vakantie was ik genoodzaakt, zeer tegen mijn zin, een broek aan te trekken.

Ontbijten deden we in het Portal café onder Kyoto station. Het café beloofde ons een ontbijtbuffet voor een redelijke prijs. Slechte beslissing, want dit moet zo ongeveer het magerste, minst verzorgde buffet ooit geweest zijn. Jammer dat we van buitenaf niet konden zien wat het aanbod was en we enkel op de lovende reclame konden afgaan. Het enige wat mij min of meer kon bekoren was de misosoep. Zelfs het roerei zag er verlept uit. Een absolute misser die ons gelukkig niet al te veel geld kostte, maar toch nog te veel voor wat we kregen.

We namen de trein naar Kasteel Nijo, symbool van de macht en de rijkdom van het in Edo gevestigde shogunaat. Kasteel Nijo werd gebouwd door shogun Tokygawa Ieyasu (1543-1616) en werd in opdracht van diens kleinzoon Iemitsu verfraaid met prachtige schilderingen op de schuifdeuren.

Op weg naar het kasteel, passeerden we de Shisenen tuin, een fraai stukje groen met een tempel en een vijver in hartje Kyoto waar een reiger gewillig poseerde voor onze lens. Een oranje geverfd bruggetje en een boot met een drakenkop op de voorsteven maakten het fotogenieke plaatje compleet. Op de koop toe vielen er zelfs nog kersenbloesems te bewonderen.

Ook in Kasteel Nijo was het bijzonder rustig. De enige andere bezoekers waren bendes schoolkinderen in uniform en een enkele verdwaalde toerist. We deden onze schoenen uit om het interieur van het kasteel te kunnen bekijken. Het rondlopen in het kasteel is een belevenis op zich: bij elke stap die je zet, brengen de houten vloeren vogelachtige piepgeluiden voor. De nachtegaalvloeren werden speciaal zo ontworpen om mogelijke indringers niet de kans te geven ongemerkt het kasteel binnen te dringen.

De schuifdeuren in de vertrekken waren beschilderd met tijgers, luipaarden, kersenbloesems, zwaluwen, pauwen en pijnbomen. De schilderingen worden toegeschreven aan de Kanoschilders die in de 15de eeuw aanzien verworven. De schilderingen in Kasteel Nijo zijn de grootste die de Kanoschilders ooit maakten. Alle vertrekken die we tegenkwamen waren op de schilderingen na leeg. Wat een contrast met de pracht en praal van Europese kastelen en paleizen. Enkel in de Ohiroma Ichi-no-ma (audiëntiekamer) konden we een opstelling met poppen bekijken die daimyo (Japanse krijgsheren) voorstelden terwijl zij buigend knielden voor de shogun.

Wat vooral opviel, was hoe koud en tochtig dit kasteel was met lange gangen en flinterdunne muren. Het zal niet gemakkelijk geweest zijn om het hier in de winter behaaglijk te maken. Nu begrijp ik beter waarom de kimono’s van adellijke heren en dames uit zoveel verschillende lagen bestaan. Mijn voeten die enkel door een dunne kous van de koude vloer gescheiden werden, waren na de rondgang behoorlijk afgekoeld en ik was blij dat ik mijn laarzen weer kon aantrekken.

Na dit bezoek slenterden we verder door de prachtige tuin van het kasteel. We bewonderden de minutieus gesnoeide bomen en de vijver waarin de kunstig geplaatste rotsen werden weerspiegeld. Een kleine beklimming van één van de omwallingen bood ons een mooi uitzicht over de tuin. Het moet nogal wat werk kosten om zo’n gigantische terrein te onderhouden. We zagen tijdens onze wandeling dan ook verschillende tuinlieden aan het werk. De weeping cherry blossoms (kerselaars met takken die afhangen als een wilg) stonden in volle bloei en we genoten van de schoonheid der natuur.

Ondertussen was het alweer middag. We vonden een piepklein Thais/Balinees/Indonesisch restaurantje waar we een simpele menu bestaande uit soep, nasi en een nagerechtje aten voor geen geld. Het beviel me dat deze variant van de Oosterse keuken gebruik maakte van iets pitterigere kruiden dan we in de Japanse keuken gewoon zijn. De pure ingrediënten die in de Japans keuken gebruikt worden, zijn soms wat flets van smaak.

We zetten onze weg verder naar het Keizerlijk Park, ofte Gyoen Park dat 1300 op 700 meter meet en vrij bezocht kan worden door iedereen. Er groeien in totaal ongeveer 50.000 bomen in het park. Brede lanen met kiezels zorgen voor een gevoel van ruimte dat je niet verwacht in een drukke stad als Kyoto. Het park dateert vanuit de vroege Edo periode toen de residenties van de hoge adel allemaal gegroepeerd werden rond het paleis en het geheel ommuurd werd. Toen de hoofdstad van Japan van Kyoto naar Tokyo verplaatst werd, werden de huizen van de adel met de grond gelijk gemaakt en kwam er ruimte vrij voor dit park.

We hadden enorm veel geluk, want toen we bij het paviljoen kwamen waar kaarten voor het koninklijk paleis verkocht werden, bleek dat we net op tijd waren om aan te sluiten bij de laatste Engelse rondleiding van de dag, om twee uur (!) in de namiddag. Het Engels van de gids was niet zo goed en door haar vreemde uitspraak verstond ik het soms gewoon niet, maar hier en daar konden we toch iets interessant meepikken. We kregen door haar uitleg alleszins een beter inzicht in de leefgewoonte van lang geleden en het waarom van sommige bouwtechnische beslissingen.

In de keizerlijke gebouwen troffen we ook schilderingen aan op de schuifdeuren, maar ze waren minder rijk en overdadig dan die in Kasteel Nijo, de residentie van de shogun. Dit kwam doordat de shogun de wereldlijke macht bezat, terwijl de keizer de goddelijke macht bezat en als een soort godheid binnen het shintoïsme vereerd werd.

We zagen de grote Shishinden hal, waar de troon van de keizer zich bevindt en enkele vroegere keizers gekroond werden. De binnenplaats van het gebouw lag vol met witte kiezels die niet alleen aangenaam voor het oog waren, maar er ook voor zorgden dat het licht van buiten in het gebouw weerkaatst werd. Dit gedeelte was nog maar pas opgeknapt en in briljant oranje geschilderd.

Het dak van de keizerlijke gebouwen bestond uit vele lagen schors van cypressen die samengeperst zo’n dertig centimeter dik waren. De lagen schors worden op elkaar bevestigd met bamboestokjes, zodat er in het ganse dak geen ijzer gebruikt dient te worden en er zich ook geen roest kan vormen. Nadeel is wel dat dit dak na dertig jaar aan vervanging toe is. Het herstellen van dit bijzondere dak is heel duur en vergt een speciaal vakmanschap dat zeldzaam geworden is. De vervanging van het keizerlijke dak duurt 25 jaar. Dat wil zeggen dat het werk bijna nooit gedaan is.

We kregen ook een prachtige landschapstuin te zien. Een Japanse landschapstuin wordt zo aangeplant dat de tuin in het klein de variëteit van het Japanse land weergeeft. Grote bomen stellen bergen voor, een vijver de zee, enzovoort. Terwijl we de tuin vanuit alle mogelijke hoeken aan het fotograferen waren, kwam de staart van onze groep een groep VIP’s tegen die een aparte rondleiding kregen. Groot was onze verbazing toen we tussen de VIP’s onze oud-premier Jean-Luc Dehaene ontdekten. Heel surreëel om hem in Japan tegen het lijf te lopen. Doch mijn medereizigers bevestigden dat mijn verbeelding geen loopje met me nam.

We wierpen nog een blik op de Otsunegoten, de effectieve residentie van de keizer, die er beslist koud en tochtig uit zag. De gids bevestigde dat de vele lagen kimono’s de drager ervan moesten beschermen tegen de koude. Soms werd er ook een klein hout- of kolenkacheltje onder al die lagen kleren verstopt zodat de drager het toch een beetje warm had.

De rondleiding liep ten einde, we bedankten de gids en maakten van de gelegenheid gebruik om te vragen hoe de typische Japanse pruimenlikeur die we al een paar keer dronken, heette. Ik weet niet of dit tot de standaardvragen behoort, maar zonder verpinken antwoordde de gids dat deze likeur umeshu heette. Handig om weten voor als we deze lekkernij in de toekomst opnieuw wilden bestellen.

Vervolgens namen we voor een appel en een ei (220 yen per rit, eender hoever de bus ging) de bus naar Kinkaku-ji, het Gouden Paviljoen. Het huidige Gouden Paviljoen is een reconstructie. Het originele paviljoen dat dateert uit de veertiende eeuw ging in 1950 in de vlammen op. Het elegante bouwwerk is volledig met bladgoud bedekt en bekroond met een bronzen feniks. De bijhorende tuin is aangelegd in Muromachistijl. Het paviljoen en de tuin zijn een lust voor het oog., Op het moment dat wij er waren, deed de zon haar best om de kleuren goed tot hun recht te doen komen.

We probeerden een 100 yen-stuk in een potje bij één of andere godheid te laten belanden, maar faalden jammerlijk. Spijtig, want ik had nog wel wat wensen die vervuld konden worden (zo zou het bijvoorbeeld aangenaam zijn als de temperatuur met een tiental graden zou stijgen).

Na deze wandeling namen we opnieuw de bus. We doorkruisten tijdens een rit van veertig minuten ongeveer de ganse stad. Ondertussen zagen we de hemel langzaam betrekken. De rit bracht ons bij het Gion-district, de bekendste geishawijk van Kyoto. We startten onze verkenning bij het Yasakaheiligdom waar in juli het festival Gion Matsuri gevierd word, het belangrijkste religieuze feest Kyoto.

We wandelden verder naar Oost-Gion, een buurt die gespaard gebleven is van de branden die Kyoto teisterden, omdat de buurt zich aan de andere kant van de rivier de Kamo bevond. Daardoor is dit een van de meest authentieke gebieden van Kyoto met prachtige oude houten huizen en zonder een spoortje van lelijke neonverlichting. Heel aangenaam om door de heuvelachtige straatjes te slenteren. Een stukje Brugge in Kyoto. In het algemeen vind ik dat Kyoto meer weg heeft van een banale grootstad met lelijke hoogbouw dan ik oorspronkelijk verwacht had. Ik verwachtte een erg pittoreske stad. Die verwachting werd door Oost-Gion volledig ingelost, maar dit geldt niet voor de andere buurten.

We wandelden tot aan de vijf verdiepingen hoge Yasakapagode en keerden vervolgens met een hongerige maag op onze stappen terug. Het is niet altijd even makkelijk om met vier personen overeen te komen voor het avondmaal en zo kwamen we in een dessertcafé op een vierde verdieping terecht. Een chique gelegenheid waar de kaart enkel en alleen in het Japans beschikbaar was. En zo kwam onze kennis van het katakana weer maar eens van pas. Al duurde het wel even voordat we doorhadden dat er doodeenvoudig crêpe Suzette op de menu stond.

We bestelden twee bordjes pannenkoeken elk: eentje met Japanse whiskey en een tweede met crêpe Suzette. De pannenkoeken waren om duimen en vingers af te likken, zo lekker. Die Japanners verstaan de kunst van het pannenkoeken bakken.

Na dit zoete avondmaal keerden we naar het hotel terug, met nog een tussenstop bij wat winkels onderweg. Blijkbaar hadden de pannenkoeken toch nog een gaatje gelaten voor een tweede dessert.

Dinsdag 19 april: Kyoto

Mijn vriend was extra vroeg opgestaan om in de onsen te genieten van de zonsopgang. Hij kwam helemaal warm en hitsig terug van zijn onsenavontuur. Jaja, zo tussen blote Japanners zitten, het doet wat met een mens. 😉

Na in Hakone exact hetzelfde ontbijt als de dag voordien verorberd te hebben, vertrokken we gepakt en gezakt richting station. Volgende halte: Kyoto! De meeste Japanreizigers zijn erg enthousiast over deze voormalige hoofdstad van Japan, dus ik was benieuwd. Zoals we dit ondertussen gewoon zijn, bracht het Japanse openbaar vervoer ons stipt tot op de minuut op onze bestemming.

In het station van Kyoto trokken we eerst richting tourist office om alvast de nodige folders en plannetjes op te laden. Het was even zoeken voor we het juiste hotel gevonden hadden. Blijkbaar zijn er twee APA-hotels vlakbij het station en uiteraard stonden we eerst in het verkeerde. Gelukkig bleken de reservatiesystemen aan mekaar gekoppeld en legde de vriendelijke dame aan de receptie ons uit hoe het juiste hotel te bereiken. Het hotel bleek een blok verder te liggen.

De kamers in ons hotel waren de kleinste die ik ooit gezien heb: een bed van 120 centimeter breed nam het merendeel van de ruimte in, daarna was er enkel nog plaats voor een gangetje waar net twee koffers in konden platliggen en een minibadkamer. Als mijn broer zich in bed uitstrekte, kwam hij met zijn voeten aan het raam. Maar verder geen klagen, de kamer was van al het nodige comfort voorzien.

Ondertussen was het al bijna 14.00u, hoog tijd om ergens een mddagmaal bijeen te scharrelen. We keerden terug naar het Porta shoppingcentrum onder het station en vonden daar een lange gang met veel goedkope restaurantjes. We vonden een restaurant dat een Japanse specialiteit serveerde: okonomiyaki en negiyaki zijn allebei een soort omelet met diverse ingrediënten (vis, vlees, groenten) die in een pan geserveerd worden. Negiyaki is een dubbelgevouwen omelet, terwijl okonomiyaki met een soort dikke zoete saus en katsuobushi opgediend wordt. Best wel lekker, maar we hadden na deze maaltijd allemaal het gevoel dat ons eierenquota voor deze reis ongeveer bereikt was. Japanners blijken dol op eieren te zijn en in veel gerechten zit wel op één of andere manier ei verwerkt.

De eerste bezienswaardigheid die we aandeden in het koude en bewolkte Kyoto waren de Nishi- en Higashi Honganji tempels. Eén van beide tempels onderging momenteel een grondige restauratie, waardoor de buitenkant aan het zicht onttrokken werd. We hadden het gevoel dat er momenteel een restauratiegolf door Japan trekt, want we zagen op onze trip al veel gesluierde tempels en heiligdommen.

Blijkbaar was er in de tempels één of ander groot event aan de gang, want eens we binnen waren, kwamen we tussen grote groepen Japanners terecht in een grote hal met rijen en rijen genummerde klapstoeltjes en grote tv-schermen. We besloten ons te laten meevoeren door de stroom, maar werden al snel tot staan gebracht en resoluut de andere kant uit gestuurd.

Via een trap kregen we toegang tot de stellingen die rond de tempel gebouwd waren en konden we een blik werpen op het dak dat momenteel volop gerestaureerd werd. Heel interessant om de structuur van zo’n dak van dichtbij te kunnen bestuderen. Tijdens dit bezoek ervoeren we de eerste keer iets van drukte, vooral dan van de aanwezige Japanners. Het aantal buitenlandse toeristen was nog altijd op twee handen te tellen.

Het parcours langs en doorheen de tempel bracht ons bij een afzonderlijke tentoonstelling over een Japanse vrouw waarvan op driejarige leeftijd de benen geamputeerd werden. Ze vergeleek zichzelf met een Japanse darumapop, een pop zonder armen en benen die als geluksbrenger dienst doet. Een pakkend verhaal over moed een doorzettingsvermogen, want ze slaagde erin een zinvol leven te leiden en werd later tijdens haar leven zelfs een veelgevraagd spreker. Al werd wat mij betreft iets te zeer de nadruk gelegd op het religieuze aspect, maar dat was natuurlijk te verwachten, gezien de omgeving.

Net toen we het tempeldomein verlieten, losten de donkere wolken die de hele namiddag al dreigend boven onze hoofden hingen, hun waterige inhoud. Uiteraard lag de hele collectie paraplu’s die we tot nu toe op onze reis bijeengespaard hadden op onze kamer. Gelukkig was er een tempelmedewerker die medelijden met ons buitenlandse toeristen had en ons achterna liep met vier paraplu’s van de tempel. “A present”, zei hij. Een nuttiger geschenk had hij ons op dat moment niet kunnen geven.

We hadden langer in de tempel doorgebracht dan verwacht en het was al bijna tijd voor het avondeten. Omdat we nogal laat middag gegeten hadden, was er van een hongergevoel nog niet echt sprake. Een geschikte gelegenheid vinden om gewoon iets te drinken, blijft moeilijk in Japan. Een klassiek café of bar waar je enkel iets kan drinken, zijn we nog niet tegen gekomen.

We trokken dan maar terug naar het ons ondertussen vertrouwde station van Kyoto waarvan we de moderne architectuur bewonderden. Het gebouw is een ontwerp van Hiroshi Hara en werd voltooid in 1996. Het gebouw is zeer mooi, maar spijtig dat de open architectuur de koude en de regen het gebouw laat binnenkomen. In de zomer is dit ongetwijfeld een gezellige plek. Nu deed het meer denken aan een tochtgat.

In het stationsgebouw bevindt zicht het winkelcentrum The Cube. We liepen door gigantische elektronicawinkels van meerdere verdiepingen, zagen eindeloos veel klerenwinkels met lelijke Japanse kledij en bleven het langste hangen op het verdiep met de levensmiddelen. We voelden ons een beetje als Alice in Wonderland. Al die onbekende en vreemdsoortige etenswaren, een mens zou van alles moeten kunnen proeven.

Een serie roltrappen bracht ons naar het hoogste verdiep. Alwaar we een mooi, zij het uitgeregend, uitzicht over Kyoto hadden. En zo belandden we op de restaurantverdieping van The Cube. We vonden een restaurant waar iedereen z’n gading kon vinden en bestelden alledrie een setmenu. Mijn vriend en ik gingen voor de menu met tempura en sashimi. Daarbij werden rijst, de onvermijdelijke misosoep, opgelegde groenten en een viertal slaatjes van zeewier en tofu geserveerd. Heel lekker en verfijnd allemaal.

Na de maaltijd sloeg de vermoeidheid toe en trokken we ons terug in onze hotelkamer. Vlakbij ontdekten we een café met Belgische bieren. Toch nog een café in de buurt! Al leek 1050 yen voor een Orval ons toch net te veel.

De rest van de avond bracht ik door al pendelend tussen onze hotelkamer en de onsen op het elfde verdiep. Daar bevond zich namelijk de wasmachine en de droogkast. Dit wil zeggen dat ik onze was gedaan heb tussen een hoop naakte Japanse vrouwen. Ik kan ergens wel begrijpen dat het hotel die machines daar plaatst, want de meeste vrouwen zullen de was insteken en dan gaan relaxen in de onsen, maar echt handig is het niet: in zo’n hete en vochtige omgeving zitten wachten tot je was gedaan is als je zelf geen zin hebt om in de onsen te gaan. Er was ook maar één wasmachine beschikbaar, die bij de onsen van de heren tel ik uiteraard niet mee. Ik zie me nog niet de was doen tussen een hoop naakte Japanse venten. 😉 Enfin, de was raakte uiteindelijk gedaan. Zij het dat elk vrij plekje in onze toch al krappe kamer door drogende was werd ingenomen.

Maandag 18 april: Hakone

Alweer een mindere nacht. In onze hotelkamer hing een duffe geur van (denk ik) verschaalde rook en die geur kroop in mijn neusgaten en zorgde voor een opstoot van die vervelende prikkelhoest waar ik al even mee sukkel.

We hadden de bar waar het ontbijt geserveerd werd helemaal voor ons alleen. Twee diensters stonden volledig ter onzer beschikking. We kregen een Westers ontbijt met worstjes, roerei en toast. Een aangename afwisseling tussen al die rijst door. Na het ontbijt wandelden we langs de hoofdstraat naar het treinstation van Hakone waar we de bus zouden nemen. Hakone is een bergdorp met natuurlijke hete bronnen dat al sinds de 9de eeuw populair is als kuuroord. Naar het schijnt kan het er erg druk zijn, maar daar merkten we op het moment dat wij er waren weinig van.

Een busrit van 40 minuten klimmen later zagen we het prachtige Ashimeer opdagen. We stapten uit aan de halte die op ons plannetje stond aangegeven en na even zoeken vonden we de oude laan met cederbomen. De bomen werden aangeplant in 1618 langs de oude Tokaido weg tussen Edo (Tokyo) en Kyoto. Nu is er nog zo’n 2 km over van de oorspronkelijke route. Heel indrukwekkend om te wandelen onder deze eeuwenoude bomen. Alleen spijtig van de drukbereden straat die er vlak naast lag.

Op het einde van de laan, kwamen we bij een reconstructie van de Sekishobarrière, een soort douane avant la lettre die de reizigers op deze weg en dan vooral de vrouwen controleerde. De gebouwen van de Sekishobarrière gaven een goed inzicht in het leven van toen. De vertrekken werden bevolkt door grijze mannequins die taferelen uitbeeldden uit het dagelijkse bestaan van het checkpoint. We klommen tot het uitkijkpunt helemaal bovenaan en kregen in ruil een prachtig uitzicht over het meer cadeau. Echt de moeite van het bezoek waard.

In één van de winkeltjes langs de weg kon ik het niet laten een pakje met kin-goma dango (de benaming volgens het plakkaatje in de winkel, al vond ik het eerder mochi met sesamzaadjes errond). We aten de mochi op terwijl we wachtten op onze Hakone Sightseeing Cruise. (Het klinkt fancier dan het was.)

Een groot fake zeilschip voerde ons over Lake Ashi naar het begin van de kabelbaan. We gingen even boven op het dek staan, maar de snijdende koude wind dwong ons naar het benedendek. In de zomer moet dit een zalig boottochtje zijn. We zullen nog eens moeten terugkomen voor een onsenkuur in een ander seizoen.

Ons middageten nuttigden we in een groot self service restaurant bij het begin van de kabelbaan. Tijdens het hoogseizoen stikt het daar ongetwijfeld van het volk, maar nu was het er bijzonder leeg, wat maakte dat we snel gegeten hadden. Ook de kabelbaan hadden we bijna voor ons alleen. We konden zonder ook maar een minuut te moeten aanschuiven een cabine binnen wandelen. We genoten van het mooie uitzicht op het meer, maar het meest spectaculair was het zicht op het Owaku-dani (dal van het grote koken), een gebied met zwavelhoudende stoomgaten.

We stapten onderweg uit om door de Owaku-dani vallei te wandelen. De vallei werd gevormd door een vulkanische explosie en nog steeds bevat de ondergrond gevaarlijke gassen. Er deden zich in de vallei al verschillende aardverschuivingen voor en soms is het niet mogelijk de paden door de vallei te betreden omdat het te gevaarlijk is. Het borrelende melkwitte water, het geel van de zwavel en de stank van rotte eieren gaven je het idee dat je op een andere planeet was. Op het hoogste punt van onze wandeling door de vallei vonden we een hutje waar je “zwarte eieren” kon kopen. De eieren werden gekookt in het natuurlijk kokende zwavelhoudende water, waardoor de schil helemaal zwart werd. Uiteraard verandert dat niets aan de smaak, maar iedereen die tot boven komt, moet natuurlijk zo’n ei consumeren.

We voelden alweer regendruppels, dus zetten we onze tocht in de kabelbaan verder. Aan het einde van de kabelbaan wachtte ons alweer een ander transportmiddel: een tandradtrein (cable car). Het treintje overbrugde een steile helling naar beneden, waar we op een al klaar staande gewone trein overstapten.

We zaten enkele minuten in de trein, die nog steeds niet vertrokken was, toen we ons realiseerden dat onze twee paraplu’s nog in de tandradtrein lagen. Het treintje stond er nog steeds. We twijfelden even, want een trein voor je neus zien vertrekken is niet leuk, maar mijn vriend besloot het erop te wagen en snel terug te lopen naar de tandradtrein. Tot onze verbazing bleek er van de paraplu’s geen spoor meer. Al een geluk dat we er niet echt persoonlijk aan gehecht waren en er op onze hotelkamer nog twee andere lagen. 😉

Een treinrit van veertig minuten later waren we opnieuw in Hakone. Het was ondertussen alweer een uur of zes, sluitingstijd in Hakone. We vonden een kunstzinnige eetgelegenheid die we helemaal voor ons alleen hadden en waar we sandwiches en een stukje taart aten. De ruimte stond vol met resultaten van de verzamelwoede van de eigenaar: mariabeelden, schilderijen, prullaria. Alles had er een plaatsje gevonden.

Na dit bescheiden avondmaal sloeg de vermoeidheid toe. We gingen terug naar het hotel om daar wat te relaxen. Gelukkig had ons seventies hotel een onsen. Twee zelfs, waarvan eentje helemaal boven op het dak. Helaas zijn in Japan de onsen bijna nooit gemengd. Dus genoot ik samen met de vriendin van mijn broertje van de deugddoende warmte van de onsen, terwijl mijn vriendje zich zonder internet verveelde op de kamer.

Zondag 17 april: Tokyo en Hakone

Gelukkig was de maag van mijn broertje vlot hersteld van het pijnlijke tempura-incident van gisteren. Helaas bracht ik een groot deel van de nacht weer hoestend door en begon ik op de koop toe last te krijgen van keelpijn. Al een geluk dat we keelpastilles in onze reiskoffer gestoken hadden.

Voordat we aan onze treinrit naar Hakone begonnen, brachten we een bezoek aan het Harajukudistrict. Het district kwam tot bloei nadat hier in 1964 de Olympische spelen gehouden werden. Nu staat Harajuku bekend om de modewinkels en de jongeren met extravagante outfits die je er kan aantreffen. Die outfits waren meteen de reden van ons bezoek. Mijn broer is heel erg geïnteresseerd in de Japanse jongerencultuur, dus dit was één van de plaatsen die hij beslist wilde zien.

Bij het Olympisch Stadion in het Yoyogipark troffen we al snel een hele samenscholing van jonge meisjes aan in de meest uiteenlopende outfits. De bijeenkomst leek echter alles behalve spontaan, want ze stonden allemaal netjes in een steeds langer wordende rij. Een voorbijganger wist ons te vertellen dat de tienermeisje op een J-popidool stonden te wachten. Het optreden waarvoor iedereen stond aan te schuiven, begon om 17.00u. Wij waren er om half elf in de ochtend. Een mens moet er iets voor over hebben om een plekje vlak voor het podium te veroveren…

Na wat foto’s van mijn broer met de opgedirkte meisjes genomen te hebben (hij stak ongeveer een halve meter boven hen uit en de meisjes vonden het geweldig om met hem op de foto te gaan), trokken we richting het Meijiheiligdom, het belangrijkste shintoheiligdom van Tokyo. Het heiligdom stamt uit 1920, maar werd in 1945 door de bommen van de geallieerden verwoest. Met behulp van schenkingen werd het in 1958 weer opgebouwd. Rond de jaarwisseling bezoeken ongeveer drie miljoen mensen het heiligdom om te bidden voor geluk in het nieuwe jaar.

We liepen langs een prachtige bosrijke laan in de richting van het heiligdom toen we tegengehouden werden door vier jonge Japanse studenten. Zeer beleefd vroegen ze of ze ons een rondleiding in het heiligdom mochten geven. Ze studeerden allevier Engels en waren lid van een club om hun Engelse conversatie te oefenen. Ze verzekerden ons dat de rondleiding gratis zou zijn.

Uiteraard wilden wij deze jongelingen graag helpen om hun Engels wat te oefenen. We liepen samen verder en kregen wat uitleg over het heiligdom. Al snel bleek hun kennis van het heiligdom zelf heel erg beperkt. Ze hadden duidelijk enkele standaardzinnetjes ingestudeerd over bepaalde rituelen, maar van zodra je een vraag stelde, moesten ze het antwoord schuldig blijven. Twee van de vier konden redelijk hun plan trekken in het Engels, maar de andere twee bakten er eerlijk gezegd niet veel van. Ofwel waren ze te verlegen om iets te zeggen tegen ons. Ze ontdooiden gelukkig een beetje toen mijn broertje over Japanse anime en manga begon.

In het heiligdom zagen we een écht traditioneel Japans huwelijk met een prachtig uitgedoste bruid en bruidegom. Al zou ik niet graag in zo’n kimono rondlopen, lijkt me heel erg lastig om zo kleine stapjes te moeten nemen.

Het uur om onze trein naar Hakone te nemen, naderde. We namen afscheid van de sympathieke studenten. Natuurlijk niet zonder eerst samen op de foto te gaan, terwijl we het vredesteken maakten. Dé typisch Japanse manier om op de foto te gaan. 😉

In het station van Tokyo kochten we voor de lunch wat eten aan één van de vele kraampjes. Ik kocht een bentobox. Ik zag al veel foto’s van bentoboxen, maar het was de allereerste keer dat ik er zelf één at. De bentobox bevatte tempura, krab, opgelegde groenten, tofu, paddenstoelen en nog wat onidentificeerbare dingen die best lekker smaakten. Handig, zo’n kant en klare lunchbox. Jammer dat dit in België nergens verkrijgbaar is. Om de dorst te lessen, dronken mijn vriend een ik een heel toepasselijke smoothie: een Tokyo green met één of andere groene bladgroente.

Vlak voordat we de shinkansen opstapten, liet ik me nog verleiden tot de aankoop van een Tokyo banana, maar dit luchtige sponsachtige gebakje in de vorm van een banaan, gevuld met een soort bananenmousse kon op weinig enthousiasme bij mijn reisgenoten rekenen. En eerlijk gezegd had ik er zelf ook meer van verwacht.

In Hakone station werden we onthaald door een zeer gedienstige toeristisch medewerker. Aan de manier waarop hij zich uitsloofde om samen met ons alle mogelijkheden van de Hakone Free Pass te overlopen, viel duidelijk op te maken dat hij vandaag nog niet veel toeristen had zien passeren. Buigend en dankend verkocht hij ons deze pas die ons toegang tot een heel scala aan vervoermiddelen zou geven.

Om ons hotel te bereiken besloten we echter gebruik te maken van de benenwagen. De hoofdstraat van Hakone was een opeenvolging van winkels met etenswaren en souvenirs met daartussen wat restaurants. We maakten een kleine (ongewilde) omweg, maar dankzij de hulp van (alweer) een hulpvaardige Japanner vonden we Senkei Plaza, waar we een zeer ruime kamer in seventies style toegewezen kregen mét tatamimatten, maar gelukkig ook met gewone bedden.

Het was ondertussen een uur of half vijf, te laat om de aanbevolen route van de free pass te volgen. Dus beperkten we ons tot een wandeling door het centrum van Hakone, waar de meeste winkels ondertussen begonnen te sluiten. We vonden na wat heen en weer geloop een klein restaurantje waar we (alweer) soep met noedels aten. Mijn vriend had per ongeluk een gerecht gekozen met koude noedels. Het was eetbaar, maar laten we eerlijk zijn, warme noedels smaken echt wel beter. Om zeven (!) uur werden we uit het restaurant gezet omdat ze gingen sluiten

Tijdens onze wandeling hadden we een hotel gevonden met free wireless. Ons eigen seventies hotel was niet genoeg mee met de tijd om een internet connectie, laat staan een wireless connectie aan te bieden. In Hakone by evening valt zo goed als niets (zeg maar gewoon: niets) te beleven. Dus gingen we met z’n vieren iets drinken in de lobby van het hotel met wireless. Op de oprit staan surfen, is ook zo’n raar gezicht, nietwaar? De vriendin van mijn broer koos een fluogroen drankje van de kaart. Omdat we voor ons vertrek zoveel opmerkingen over radioactiviteit en groen uitslaan kregen, maken we er een sport van om zoveel mogelijk groene dingen te eten en drinken.

We besloten vroeg te gaan slapen, in de hoop dat mijn hoest zo snel zou verdwijnen.

Indrukken uit Japan

  • In Tokyo rijden de fietsers op het voetpad. Niemand gebruikt er een fietsbel, waardoor het toch wel even schrikken is als er plots een fietser rakelings langs je scheert.
  • In Japan zijn de meeste toiletten gratis. Alle toeristische bezienswaardigheden zijn uitgerust met moderne toiletten die meestal heel erg proper zijn. Er zijn zowel hurktoiletten als gewone wc’s voor ons verwende Westerlingen. Soms zijn de toiletbrillen zelfs verwarmd om onze billen vooral geen kou te laten lijden.
  • Een Japanner buigt, dankt, buigt, dankt, buigt, dankt, enzovoort enzoverder.
  • Japanners zijn zeer vriendelijk en behulpzaam. Je hoeft nog maar ergens stil te staan met een stadsplan in de hand of daar zijn ze al om je verder te helpen. Zelfs als je die hulp helemaal niet nodig hebt.
  • In alle restaurants krijg je gratis water of gratis thee. Een pracht van een dienstverlening vind ik dat. Mag gerust ook in Europa ingevoerd worden.
  • Mijn vriend heeft zich voorgenomen elke dag een nieuw drankje uit de alomtegenwoordige automaten te proberen, bij voorkeur eentje met veel cafeïne, koude koffie in blik is heel hip in Japan. Warme koffie in blik kan ook.
  • Nog nooit zoveel en zolang staan wachten aan rode lichten. Dat duurt en dat duurt en dat duurt. En toch blijven alle Japanners mooi staan tot het groen wordt.
  • In Japan vind je nergens vuilbakken op straat. Ook in de treinstellen vind je geen afvalbakjes. Enkel in de grote stations vind je hier en daar een afvalbak. Naast de automaten staat meestal een bak waarin de blikjes en petflessen verzameld worden. Dit blijkt een ideale manier om de straten proper te houden. Iedereen neemt gewoon zijn vuilnis mee naar huis en niemand gooit iets op straat. De straten liggen er werkelijk waar kraaknet bij. Aan de andere kant is dit behoorlijk vervelend als je een verkoudheid hebt en je nergens je papieren zakdoekjes kan wegsmijten.
  • In elke tempel kan je bij een monnik terecht voor een stempel en een wens in kalligrafie. Je koopt ter plekke een boekje en verzamelt zoveel mogelijk stempels. Een leuk aandenken voor later.
  • Het is muisstil in de metro. Niemand zegt iets en het is verboden te telefoneren. Iedereen leest ofwel een boekje, is bezig met zijn gsm of doet een dutje. Gesproken wordt er niet. Enkel wij buitenlandse toeristen wisselen af en toe een woord.
  • In de metro zijn er plaatsen voorbehouden voor oudere mensen, zwangere vrouwen en mensen met een handicap. Sommige treinen hebben wagons die enkel voor vrouwen bedoeld zijn.
  • Japanners vinden het snuiten van je neus een degoutante gewoonte. Nooit zal je een Japanners zijn zakdoek zien bovenhalen om zich van overtollig vocht en slijmen te ontdoen. Ze halen daarentegen (meestal erg luidruchtig) hun neus op totdat ze zich in afzondering kunnen ontdoen van deze ballast. Verkouden zijnde, denk ik dat ik dus al veel Japanners gedegouteerd heb.
  • Japanners gebruiken overdadig veel verpakkingsmateriaal. Een plastic verpakking per item, papiertjes, kartonnetjes, een groter plastic verpakking en daarrond nog eens een papieren cadeauverpakking. En jawel, altijd en overal krijg je een plastic zakje. Van afval voorkomen, hebben ze nog niet echt gehoord hier.

Zaterdag 16 april: Laatste dag in Tokyo

Vandaag gelukkig een betere nacht gehad. Er gaat toch niks boven een echt bed, zelfs al is het je eigen bed niet. We begonnen de dag met een bezoek aan de Senso-ji tempel in hartje Tokyo. In de Nakamise-dori, een straatje met shops met allerlei prullaria en etenswaren, ervoeren we voor het eerst de drukte van een miljoenenstad als Tokyo. Al vermoed ik dat de drukte op deze zaterdag al bij al nog meeviel en het tijdens hoogdagen nog honderd keer erger is.

We bewonderden de reconstructie van de vijf verdiepingen hoge pagode en wreven de Nade Botokesan Buddha over zijn hoofd om zo geluk en een goede gezondheid af te dwingen. We zagen de gigantische rode lantaarns die ongeveer in elk toeristisch boekje over Tokyo staan. Op weg naar de wierrookverbrander en de grote hal, kwam we langs een rij monniken die de passanten aanspoorden iets te geven voor het goede doel, vermoedelijk voor de slachtoffers van de aardbeving en tsunami.

Terwijl we dit alles in ons opnamen, voelden we de grond alweer lichtjes trillen, deze keer amper waarneembaar. Al zagen we wel de belletjes aan de pagode heen en weer wiegen. Het is verbazingwekkend hoe snel een mens aan dit fenomeen went. De eerste keer waren we een beetje ongerust en opgewonden tegelijkertijd, nu schonken we er amper aandacht aan.

We aten ter plaatse enkele typische Japanse specialiteiten: melon pan (een soort zacht gesuikerd brood in de vorm van een halve meloen), ningyo-yaki (de gevulde zachte figuurtjes die we eerder al in Kamakura aten) en een soort roze gefrituurde mochi. Japan heeft zoveel etenswaren die ons totaal vreemd zijn dat je hier elke dag van het jaar wel iets nieuws kan uitproberen.

We zegden de tempel vaarwel en namen één van de vele treinen van JR Rail naar Shibuya. Shibuya is het ontmoetingscentrum van de Japanse jeugd. Je vindt hier alles: restaurants, hippe kledij, muziek, gadgets, elektronica,… De hoofdstraten houden shopaholics in hun ban, terwijl mensen op zoek naar een beetje warmte in nightclubs, bars en love hotels terecht kunnen. Aan de uitgang van Shibuya station zagen we het beeldje van Hachiko, de hond die na de dood van zijn baasje meer dan tien jaar elke avond bij de uitgang van het station op zijn baasje ging wachten. Daarna dompelden we ons onder in de mensenmassa van Shibuya.

Voor het middageten besloten we ons op te splitsen. Mijn broertje en zijn vriendin snakten naar Westers eten en trokken richting Mac Donalds, mijn vriend en ik probeerden een Chinees restaurant uit. Ik had geen zin om geld te geven aan een Amerikaanse international en een gebakken dumpling gaat er altijd wel in.

In het restaurant zat het vol met tot in de puntjes verzorgde Japanse poppetjes die na de maaltijd één voor één hun schminkspullen boven haalden. Valse wimpers, fond de teint, mascara, poeder, lippenstift, lippengloss, oogschaduw. We zagen het hele gamma passeren. Ongegeneerd perfectioneerden ze hun make-up aan tafel of in het toilet. Ik wist niet dat valse wimpers aanbrengen zo vlotjes ging.

Na het middagmaal maakten we een wandeling die in onze gids stond. Helaas liet het goede weer ons in de steek, waardoor we opnieuw genoodzaakt waren paraplu’s te kopen om zo ons totaal op zes te brengen, want uiteraard lagen onze eerder aangeschafte paraplu’s nog in het hotel.

Shibuya zelf maakte op mij niet zoveel indruk. Veel volk, schreeuwerige neonreclames grote winkels en lelijke straatjes met love hotels. Niet bepaald mijn ding. En het feit dat ik hoofdpijn had, maakte de wijk er niet bepaald aantrekkelijker op.

We zegden Shibuya vaarwel en trokken met de trein naar West Shinjuku. Het station van Shinjuku is het drukste treinstation ter wereld. Elke dag passeren er meer dan twee miljoen mensen. Dit is één van de stations waar stationswerknemers tijdens het spitsuur de forenzen in de trein duwen zodat er zeker geen ongebruikt plekje overblijft.

In West Shinjuku werken zo’n 250.000 mensen in de gigantische hypermoderne wolkenkrabbers. Het meest indrukwekkend zijn de 48 verdiepingen hoge Metropolitan Government Offices. De inwoners van Tokyo noemen deze tweelingwolkenkrabbers “tax tower” omdat het bouwwerk in totaal 1 miljard US dollar kostte. Jammer genoeg was het niet mogelijk om het observatiorium op één van de hoogste verdiepingen te bezoeken.

Gelukkig was er ook een observatorium op de 51ste verdieping van het Sumitomo building dat ons een blik gunde op de miljoenenstad Tokyo. Spijtig genoeg was het erg bewolkt waardoor het uitzicht beperkt bleef. We besloten nog wat langer van het uitzicht te genieten en een chocomelk ter drinken in een café een verdieping lager. En zo zagen we genietend van een veel te dure chocomelk of koffie de zon ondergaan boven Tokyo. Tokyo by night gaf niet het lichtspektakel dat we verwacht hadden, maar dat kwam natuurlijk door de maatregelen om elektriciteit te besparen.

Ons avondmaal nuttigden we in hetzelfde gebouw. Mijn eerste keer sushi in Japan! Spijtig dat mijn broertje geen fan is. We namen met z’n drieën sushi en mijn broertje probeerde de tempura, die hem helaas niet al te best beviel. Met een ongestelde maag als gevolg. Een voedselvergifting oplopen in Tokyo, wie had dat gedacht?