Met de mond vol tanden

Vandaag werkte ik thuis, omdat er veel digitale overlegmomenten in mijn agenda stonden. Dat gaf mij ook de gelegenheid om over de middag snel wat boodschappen te doen. Ik stapte net de inkomhal van ons appartementsgebouw binnen toen een oude dame die in één van de andere appartementen woont, uit de lift stapte. Met rollator, een grote zak op de rollator, haar rechterbeen en voet in een brace en een rugzak op de rug.

Lichtelijk verbouwereerd vroeg ik of ik haar kon helpen en ik nam de rollator met zak over om die de paar trapjes naar de buitendeur naar beneden te dragen. Terwijl ik de deur open hield, hoorde ik iets vallen. Bleek dat de dame in haar rugzak een grote groene plastieken gieter had steken, die los in de rugzak zat. Ze vroeg mij de gieter terug in de rugzak te duwen, die helemaal open stond, en dat deed ik dan maar. Ondertussen vroeg ik haar of ze haar spullen in de garage ging zetten. Maar neen, ze zei dat ze aan het verhuizen was en al een paar dagen op en neer aan het gaan was met haar spullen naar haar nieuwe woonst.

Ik was eerlijk gezegd volkomen van mijn melk. Ik schatte de dame achteraan de zeventig. Eigenlijk totaal onverantwoord dat die te voet verhuisde, met rollator en brace. Ik pruttelde nog tegen dat die gieter zeker opnieuw uit de rugzak zou vallen, maar ze luisterde niet. En was al de deur uit voordat ik nog verder iets kon doen. Normaal zou ik met haar mee gelopen zijn om minstens wat van de spullen over te nemen, maar over een kwartier startte mijn volgende vergadering al.

Ik ben er eigenlijk nog altijd niet goed van. Zo’n dame op leeftijd die haar inboedel te voet moet verhuizen. Heeft zij niemand die haar kan helpen? Waarom schakelt ze geen verhuisfirma in? Ik hoop echt haar de komende dagen opnieuw tegen het lijf te lopen om toch minstens te informeren of er geen andere oplossing mogelijk is. Het stomme is dat ik niet weet op welke verdieping ze woont, dus ik kan ook niet aanbellen bij haar…

Toch triestig.

Confronterend

Onze dubbele uitstap naar Kasterlee, was een goeie gelegenheid om nog eens te blijven logeren bij de ouders van mijn vriend (die trouwens dolblij zijn dat we onze geschillen hebben bijgelegd). Na het gezamenlijke ontbijt ‘s ochtends gingen mijn vriend en ik op bezoek bij zijn grootvader, die de laatste maanden erg op de sukkel geraakt is met zijn gezondheid.

Ik moet zeggen dat ik enorm schrok van de aanblik die de oude man bood. Zo fragiel. De arme man kon nog amper praten zonder buiten adem te geraken. Hij straalde een diepe tristesse uit. Wat wil je: de man hoort nog amper, zijn zicht is zo slecht dat hij geen boeken meer kan lezen en hij kan zich enkel schuifelend voortbewegen, zwaar steunend op zijn looprek. Alleen zijn koppige ingesteldheid houdt hem, tegen alle verwachtingen in, overeind. Het deed me zeer om deze intelligente, welbespraakte man helemaal in elkaar gekrompen naar adem te zien happen. Mentaal is hij nochtans prima in orde en misschien is dat net in deze toestand geen zegen. Want hij weet dat het einde nadert en dat elke dag een stap dichter bij de dood is. En ergens denk ik, dat hij er vrede mee heeft.

Maar ikzelf zou zijn huidige toestand gewoon ondraaglijk vinden. Dus ik hoop echt dat hem op korte termijn een vredig afscheid gegund is, liefst in zijn slaap, zodat hij niet meer te lang in de klauwen van de aftakeling moet verblijven.

Oud worden

Het is altijd enorm confronterend, zo’n bezoekje aan mijn grootmoeder: rimpels die steeds diepere groeven trekken in haar gelaat, een geheugen dat zich steeds verder terugtrekt in de duistere diepten van haar hersenen, een rug die steeds krommer wordt, het onvermijdelijke krimpen.

Het jaagt me angst aan. De gedachte dat dit mij ook te wachten staat. Dat de ouderdom onontkoombaar is. Dat mijn jeugd me verlaat en nooit meer terug zal komen. Dat ik eens ook zal schuifelen tussen eetkamer en slaapkamer. Aan tafel zal zitten stil te wezen langs mensen die ik niet ken. Vertrouwen moet op vreemden om mijn meeste elementaire behoeften te vervullen.

Neen, ik kan me niet verzoenen met het feit dat ik niet kan ontsnappen aan de gesel van de onverbiddelijk voortschrijdende tijd.